Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AD9040

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
200005638/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/69
M en R 2002, 109K

Uitspraak

Raad

van State

200005638/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 14 november 2000 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 1998 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) geweigerd aan appellant schadevergoeding toe te kennen wegens het ten onrechte niet verlenen van een vergunning voor het invoeren van 500 Vierteenlandschildpadden (Testudo horsfieldii) uit de Russische Federatie.

Bij besluit van 26 oktober 1998 - voor zover hier van belang - heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 november 2000, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2000, hoger beroep ingesteld.

De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 januari 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 februari 2001 heeft de minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.A.A. Maat, advocaat te Middelburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F. de Ruijter, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vooropgesteld zij dat tussen partijen niet in geschil is dat het aan het schadeverzoek van appellant ten grondslag liggende besluit, strekkende tot weigering van een vergunning voor het invoeren van 500 Vierteenlandschild-padden, rechtens onjuist is, nu de minister bij besluit van 23 juni 1998 heeft erkend dat ten tijde van die weigering Verordening (EG) 338/97 van kracht was en vergunningverlening op grond van die verordening tot de mogelijkheden had behoord.

2.2. Appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van genoemde weigering. Appellant zou een geldelijke verplichting zijn aangegaan, doch de betreffende dieren niet hebben afgenomen omdat de leverancier deze niet langer kosteloos in bewaring wilde houden en bezwaarschriftprocedures als de onderhavige veelal lang duren. Appellant stelt uiteindelijk van de koop te hebben afgezien, teneinde de kosten te beperken. Op 1 oktober 1997 heeft de leverancier de zending aan een ander verkocht. Appellant stelt door de weigering van de minister geen mogelijkheid te hebben gehad tijdig in te spelen op de vraag naar de diersoort. Hij meent dan ook dat de minister een schadevergoeding dient toe te kennen, bestaande uit gederfde winst en vast te stellen op basis van een abstracte schadeberekening.

2.3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door appellant gestelde schade voor zijn rekening en risico dient te komen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van voldoende causaal verband tussen de gestelde schade en de ten onrechte geweigerde vergunning, nu de schade niet alleen hierdoor is veroorzaakt, maar vooral door de door appellant aan de Tsjechische leverancier gegeven toestemming om de schildpadden meteen na 22 juli 1997 aan een derde te laten verkopen. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant, nu invoervergunningen in de regel binnen 2 tot 4 weken na de aanvraag blijken te worden verleend, na 22 juli 1997 nog enige tijd de gelegenheid om te trachten de minister op andere gedachten te brengen door de minister erop te wijzen dat de verkeerde verordening was toegepast en melding te maken van de op korte termijn dreigende schade. Dit had temeer van appellant mogen worden verwacht aangezien hij als professionele handelaar geacht kan worden op de hoogte te zijn van de Europese regelgeving op het gebied van in- en uitvoer van de dieren waarin hij handelt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet direct na de ontvangst van het besluit van 22 juli 1997 met de minister contact heeft opgenomen en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening te vragen.

2.4. De Afdeling deelt de zienswijze van de rechtbank dat de gestelde schade niet het rechtstreeks gevolg is van de ten onrechte geweigerde vergunning. De gestelde schade is ontstaan doordat appellant de levering van de dieren illusoir heeft gemaakt door (voortijdig) van de koop af te zien. Hierbij merkt de Afdeling op dat appellant in het bij de rechtbank ingediende beroepschrift heeft verklaard dat het contract met de desbetreffende Tsjechische handelaar was gebaseerd op afname binnen een aantal weken, aangezien eerdere aanvragen om een invoervergunning van vergelijkbare diersoorten altijd en op korte termijn werden gehonoreerd, gedurende welke tijd de dieren op de vereiste wijze werden gehuisvest, gevoed en verzorgd door de Tsjechische leverancier. Gedurende die periode was appellant derhalve geen bewaarloon verschuldigd. Het had dan ook op zijn weg gelegen om zo spoedig mogelijk na het primaire besluit van 22 juli 1997 de minister te attenderen op de omstandigheid dat de regelgeving was gewijzigd, en zo nodig een bezwaarschrift en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Evenals de rechtbank heeft de Afdeling hierbij in aanmerking genomen dat in het onderhavige geval gerede kans bestond dat het verzoek om voorlopige voorziening zou zijn toegewezen. Dat appellant niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening nu hiervan in het primaire besluit geen melding was gemaakt, is een omstandigheid die voor rekening en risico van appellant komt. Van appellant mag worden verwacht dat hij zich als professioneel handelaar tijdig op de hoogte stelt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2002

45-393.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,