Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AD8969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
200102001/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedrijfspensioenfonds is wat betreft de toepassing van de Vrijstellingsregeling Wet BPF aan te merken als persoon of college met enig openbaar gezag bekleed.

De Afdeling oordeelt dat het pensioenfonds, wat betreft de toepassing van de Vrijstellingsregeling, een persoon of college met enig openbaar gezag bekleed is, in de zin van art. 1:1, eerste lid, onder b, Awb en derhalve in zoverre als bestuursorgaan moet worden aangemerkt.

De rechtbank heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds betreft een bij wet opgedragen publiekrechtelijk taak. Dit is niet anders wat betreft de in art. 6 van de Vrijstellingsregeling neergelegde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling om andere redenen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds vindt, of het nu gaat om het verlenen van de verplichte danwel de onverplichte vrijstelling, zijn grondslag in art. 3, eerste lid, in samenhang met art. 5, tweede lid, aanhef en onder II, sub l, van de Wet BPF. Blijkens de memorie van antwoord bij het ontwerp van de wet BPF is met de zinsnede "voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten" in art. 3, eerste lid, Wet BPF bedoeld een soortgelijke bepaling op te nemen als in de wet van 1937 op de verbindendverklaring van collectieve arbeidsovereenkomsten, te weten dat de verbindend verklaarde bepalingen verbindend zijn voor alle werkgevers en werknemers, "behalve in de gevallen door Onze Minister uitgezonderd". Het pensioenfonds dient blijkens de memorie van antwoord in dit verband de minister voor te lichten en bij te staan door aan te geven voor welke groepen het verplichtstelling wenst en voor welke groepen vrijstelling kan worden verleend. In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: de Wet BPF 2000), die op 21 december 2000 in werking is getreden tegelijk met het vervallen van de Wet BPF, is de toebedeling van deze bestuurstaak aan het pensioenfonds in art. 13 inmiddels expliciet geregeld.

Dat het verlenen van vrijstelling evenals de verplichtstelling een overheidstaak betreft, blijkt ook uit de in zowel de Wet BPF, in art. 16, als in de Wet BPF 2000, in art. 15, geregelde vrijstellingsbevoegdheid van de minister in bijzondere en individuele gevallen.

Gegrond hoger beroep; terug gewezen naar de rechtbank.

Het bestuur van de stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid.

mrs. J.A.E. van der Does, J.A.M. van Angeren, F.P. Zwart

Awb 1:1.1.b

Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Wet BPF) 3.1, 5.2.II.I, 5.3

Wet BPF 2000 13, 15

Vrijstellingsregeling Wet BPF 2, 3, 4, 5, 6, 7

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:1, geldigheid: 2002-01-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/84 met annotatie van H. Peters

Uitspraak

Raad

van State

200102001/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 17 januari 2001 in het geding tussen:

appellant

en

het bestuur van de stichting "Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid".

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 1996 heeft het bestuur van de Stichting bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid (hierna: het pensioenfonds) het verzoek van appellant om vrijstelling van de verplichte deelneming in het bedrijfspensioenfonds afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 1998 heeft het pensioenfonds op het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gereageerd in die zin dat de eerdere afwijzing van het verzoek om vrijstelling is bevestigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 januari 2001, verzonden op 7 maart 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 juni 2001 heeft het pensioenfonds een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2001, waar appellant, bijgestaan door mr. J.M. Koster, gemachtigde, en het pensioenfonds, vertegenwoordigd door prof. dr. E. Lutjens, advocaat te Amstelveen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (hierna: de Wet BPF), zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, kan Onze Minister, op verzoek van een naar zijn oordeel voldoende representatieve vertegenwoordiging van het georganiseerde bedrijfsleven in een bedrijfstak het deelnemen in het bedrijfspensioenfonds voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten verplichtstellen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder II, sub l, zal een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, in geen geval worden ingewilligd, indien de statuten en reglementen van het fonds geen bepalingen inhouden betreffende de gevallen, waarin en de voorwaarden, waaronder bedrijfsgenoten aan het bedrijfspensioenfonds niet behoeven deel te nemen, dan wel van bepaalde verplichtingen ten opzichte van het bedrijfspensioenfonds kunnen worden vrijgesteld.

Ingevolge artikel 5, derde lid, stelt Onze Minister met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, onder II, sub l, nadere regels vast. Bij de vaststelling daarvan zal moeten worden uitgegaan van het standpunt, dat bedrijfsgenoten, die reeds tenminste zes maanden vóór de indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, deelnamen in een ondernemingspensioenfonds, of zich bij een levensverzekeringsmaatschappij hadden verzekerd, niet aan het bedrijfspensioenfonds behoeven deel te nemen, dan wel van de verplichting tot premiebetaling aan dat fonds geheel of voor een redelijk deel zijn vrijgesteld; een en ander indien en zolang zij kunnen aantonen, dat zij over de periode dat zij niet behoeven deel te nemen dan wel geheel of voor een redelijk deel zijn vrijgesteld van de verplichting tot premiebetaling pensioenaanspraken verwerven, welke tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke zij bij deelneming aan het bedrijfspensioenfonds zouden verwerven.

Ter uitvoering van artikel 5, derde lid, van de Wet BPF strekt de Vrijstellingsregeling Wet BPF (hierna: de Vrijstellingsregeling).

In de artikelen 2, 3, 4 en 5 en in artikel 6 van de Vrijstellingsregeling zijn de gevallen geregeld waarin het pensioenfonds respectievelijk verplicht danwel bevoegd is tot het verlenen van vrijstelling.

Artikel 7 van de Vrijstellingsregeling bevat bepalingen over aan een vrijstelling te verbinden verplichte en vrijwillige voorschriften.

2.3. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het pensioenfonds, wat betreft de toepassing van de Vrijstellingsregeling, een persoon of college met enig openbaar gezag bekleed is, in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Awb en derhalve in zoverre als bestuursorgaan moet worden aangemerkt.

2.3.1. De rechtbank is van oordeel dat aan de overheid slechts een rol is toebedeeld wat betreft het nemen van het besluit tot verplichte deelneming als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet BPF. Een dergelijk besluit heeft volgens de rechtbank echter niet tot gevolg dat overheidstaken worden overgedragen. Hiervan uitgaande kan, naar het oordeel van de rechtbank, van een besluit tot het in een individueel geval al dan niet verlenen van dispensatie van de verplichte deelneming evenmin worden gezegd dat de desbetreffende bevoegdheid is verleend ter uitoefening van enig openbaar gezag. De rechtbank wijst in dit verband op de discretionaire bevoegdheid die het pensioenfonds ingevolge artikel 6 van de Vrijstellingsregeling heeft tot het verlenen van vrijstelling.

2.3.2. De rechtbank heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard van het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep kennis te nemen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds betreft een bij wet opgedragen publiekrechtelijk taak. Dit is niet anders wat betreft de in artikel 6 van de Vrijstellingsregeling neergelegde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling om andere redenen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds vindt, of het nu gaat om het verlenen van de verplichte danwel de onverplichte vrijstelling, zijn grondslag in artikel 3, eerste lid, in samenhang met artikel 5, tweede lid, aanhef en onder II, sub l, van de Wet BPF. Blijkens de memorie van antwoord bij het ontwerp van de Wet BPF (TK, zitting 1948-1949, 785, Algemene beschouwingen, paragraaf 3, pagina 8) is met de zinsnede "voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten" in artikel 3, eerste lid, van de Wet BPF bedoeld een soortgelijke bepaling op te nemen als in de wet van 1937 op de verbindendverklaring van collectieve arbeidsovereenkomsten, te weten dat de verbindend verklaarde bepalingen verbindend zijn voor alle werkgevers en werknemers "behalve in de gevallen door Onze Minister uitgezonderd". Het pensioenfonds dient blijkens de memorie van antwoord in dit verband de minister voor te lichten en bij te staan door aan te geven voor welke groepen het verplichtstelling wenst en voor welke groepen vrijstelling kan worden verleend. In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: de Wet BPF 2000), die op 21 december 2000 in werking is getreden tegelijk met het vervallen van de Wet BPF, is de toebedeling van deze bestuurstaak aan het pensioenfonds in artikel 13 inmiddels expliciet geregeld. Blijkens de memorie van toelichting op de Wet BPF 2000 is de keuze gemaakt om de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling aan het bedrijfstakpensioenfonds op te dragen, omdat vrijstellingsverzoeken individuele gevallen betreffen die talrijk kunnen zijn en voor de beoordeling waarvan inhoudelijk gespecialiseerde kennis nodig is van de betreffende pensioenregeling, welke met name bij het betreffende bedrijfstakpensioenfonds aanwezig is (TK, vergaderjaar 1999-2000, 27 073, nr. 3, pagina 15). Dat het verlenen van vrijstelling evenals de verplichtstelling een overheidstaak betreft, blijkt ook uit de in zowel de Wet BPF, in artikel 16, als in de Wet BPF 2000, in artikel 15, geregelde vrijstellingsbevoegdheid van de minister in bijzondere en individuele gevallen. Gelet op het vorenstaande is het pensioenfonds, wat betreft de toepassing van de Vrijstellingsregeling, een persoon of college met enig openbaar gezag bekleed, in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Awb en moet derhalve in zoverre als bestuursorgaan worden aangemerkt.

2.4. Gezien het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Aangezien de materiële kant van het geschil nog niet door de rechtbank is beoordeeld, zal de Afdeling de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen.

2.5. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskostenveroordeling in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank, die ook over de proceskosten in beroep zal dienen te oordelen.

2.6. Evenmin is er aanleiding om te bepalen dat het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht door het pensioenfonds wordt vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 17 januari 2001, AWB 98/1242;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van ƒ 1.420,00/€ 644,37, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V. gelast dat het door appellant voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (ƒ 225,00/€ 102,10) door de secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Doesw.g. De Vink

Voorzitterambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2002

154.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,