Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AF6042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2001
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200104714/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200104714/1

Datum uitspraak: 26 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdelinge],

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 20 augustus 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 augustus 2001, verzonden op 27 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 september 2001, hoger beroep ingesteld.

Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 oktober 2001 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat Portugal ingevolge de Overeenkomst van Dublin (hierna: de OvD) verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van appellante.

2.1.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, eerste volzin, van die overeenkomst kan elke Lid-Staat een door een vreemdeling bij hem ingediend asielverzoek behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de daarin vastgestelde criteria niet verplicht. Daarvoor is vereist dat de asielzoeker daarmee instemt.

2.1.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit 1/2000 van het Comité van artikel 18 van de OvD inzake de overdracht van de verantwoordelijkheid ten aanzien van gezinsleden uit hoofde van

artikel 3, vierde lid, en artikel 9 van de overeenkomst (hierna: het Besluit 1/2000), zijn de echtgenoot van de asielzoeker, de minderjarige ongehuwde kinderen beneden de achttien jaar of, indien de asielzoeker zelf een minderjarig ongehuwd kind beneden de achttien jaar is, zijn vader of moeder gezinsleden in de zin van dat besluit.

Ingevolge artikel 1, tweede lid van het besluit is het ook van toepassing op andere dan de in het eerste lid vermelde naaste familieleden, wanneer de betrokken lidstaten de zekerheid hebben dat de asielzoeker of een naast familielid geheel of gedeeltelijk afhankelijk is van steun van een ander familielid, dat deze steun daadwerkelijk verleent, en dat de betrokken personen voor hun vertrek uit hun land van herkomst samenleefden als een gezin.

2.1.3. Blijkens hoofdstuk C1/2.2.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) wordt bij de uitvoering van de OvD onder gezinsleden in de zin van het Besluit 1/2000 verstaan:

- de echtgenoot van de asielzoeker, de minderjarige ongehuwde kinderen

beneden de achttien jaar of, indien de asielzoeker zelf een minderjarig

ongehuwd kind beneden de achttien jaar is, zijn vader en moeder;

- naaste familieleden van een asielzoeker, voor zover zij feitelijk behoren

tot diens gezin in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e

en f, van de Vw 2000 en in de zin van C1/4.6.2 van de Vc 2000, zij het

dat het vereiste dat het afhankelijke gezinslid van dezelfde nationaliteit

is, niet geldt in het kader van dit besluit.

2.2. In grief 2 betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte het in de Vc 2000 neergelegde beleid als niet-onredelijk heeft aangemerkt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij en [partner], die in Nederland een asielprocedure doorloopt, dienen te worden beschouwd als gezinsleden in de zin van artikel 1, tweede lid, van het Besluit 1/2000. De rechtbank heeft volgens haar miskend dat Nederland op grond van artikel 3, vierde lid, van de OvD de verantwoordelijkheid voor de behandeling van haar aanvraag aan zich moet trekken. Zij en [partner], met wie zij traditioneel is gehuwd, dienen ten minste als partners te worden beschouwd, welk samenlevingsverband, zowel in de Vw 2000, als in het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), op één lijn wordt gesteld met een huwelijk.

2.3. Voor dit betoog is geen steun te vinden in die regelingen. In het hiervoor weergegeven hoofdstuk C1/2.2.3.3 van de Vc 2000 wordt voor de uitleg van de term “gezinsleden” in het Besluit 1/2000 verwezen naar artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000.

Die bepalingen maken onderscheid tussen echtgenoten en minderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin van de vreemdeling behoren - artikel 29, eerste lid, onder e - enerzijds en partners en meerderjarige kinderen - artikel 29, eerste lid, onder f - anderzijds. De in f bedoelde persoon is zodanig afhankelijk van de vreemdeling, dat hij om die reden tot diens gezin behoort. Van gelijkstelling van partners en echtgenoten in de Vw 2000 of het

Vb 2000, als door appellante gesteld, is derhalve geen sprake. Er is voorts geen grond om te oordelen dat deze uitleg niet strookt met de OvD en het daarop gebaseerde Besluit 1/2000.

2.4. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat tussen appellante en [partner] geen afhankelijkheid bestaat in evenbedoelde zin. Zij is derhalve met juistheid tot het oordeel gekomen de staatssecretaris hen niet als gezinsleden in de zin van artikel 1, tweede lid, van het Besluit 1/2000 heeft hoeven aanmerken.

2.4.1. Hetgeen appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, gaat er van uit dat appellante en [partner] gezinsleden zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen falen haar grieven reeds hierom.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb De ambtenaar van Staat is

Voorzitter verhinderd de uitspraak te

ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2001

43-319.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,