Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AF5952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
18-03-2003
Zaaknummer
200105003/2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200105003/2.

Datum uitspraak: 15 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[vreemdeling],

[verzoeker],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 19 september 2001 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van [verzoeker] om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 19 september 2001, verzonden op 3 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij faxbericht, bij de Raad van State binnengekomen op 10 oktober 2001, hoger beroep ingesteld, onderscheidenlijk de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat [verzoeker] wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft, zodat spoedige uitzetting mogelijk is.

De enkele omstandigheid dat een uitspraak van de rechtbank voor uitvoering vatbaar is, levert echter geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht op. Bij dit oordeel is betrokken dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat de datum van zijn uitzetting aan hem is medegedeeld en derhalve niet duidelijk is op welke termijn de uitzetting zal plaatsvinden. Het verzoek komt reeds daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

2.2. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Rechtdoende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, als Voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2001

32-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,