Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AE8384

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2001
Datum publicatie
07-10-2002
Zaaknummer
200000696/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200000696/2.

Datum uitspraak: 30 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging "Natuur- en Milieuvereniging Wierhaven”, gevestigd te Wieringermeer, de vereniging "Milieufederatie Noord-Holland”, gevestigd te Bergen (NH) en de stichting "Stichting Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland”, gevestigd te Zaanstad,

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Wieringermeer,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 1999 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de commanditaire vennootschap “C.V. Waterkaaptocht” i.o. een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windturbinepark op een aantal percelen gelegen langs de Waterkaaptocht tussen de Noorderkwelweg, de Zeugweg, de Robbenoordweg en de autosnelweg A7, ten oosten van de A7 en de Hooge Kwelvaart in de gemeente Wieringermeer, kadastraal bekend gemeente Wieringermeer, sectie I, nummers 755, 756, 762, 763, 764, 765, 766, 791, 792, 793, 794, 795, 2581, 2617 en 2618. Dit aangehechte besluit is op 27 december 1999 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 4 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2000, appellanten sub 2 bij brief van 7 februari 2000, ter post bezorgd op dezelfde datum en bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2000, en appellanten sub 3 en 4 bij brieven van 7 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 4 heeft de gronden aangevuld bij brief van 6 maart 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 augustus 2000. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2001, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellanten sub 2, van wie [appellanten], bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, gemachtigde, die tevens is opgetreden als gemachtigde van de overige appellanten sub 2, appellant sub 4 in persoon en bijgestaan door mr. J. Tamminga, advocaat te Amsterdam, en verweerders, vertegenwoordigd door J.K.K. Vroegindeweij en T.S.J. Rolsma, beiden ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten sub 1 betoogd dat het in werking zijn van de inrichting mogelijk zal leiden tot aantasting van de vogelstand in het IJsselmeer en de Waddenzee, die respectievelijk op drie en zes kilometer van de inrichting zijn gelegen. Dit aspect is, zonder dat de Afdeling daarom heeft verzocht, eerst ter zitting ingebracht en geponeerd als zelfstandige beroepsgrond. Nu appellanten sub 1 dit eerder hadden kunnen aanvoeren, laat de Afdeling dit aspect met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.3. De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, is gelegen in het noordoosten van de Wieringermeer. De inrichting bestaat uit acht windturbines met een gezamenlijk vermogen van 13,2 megawatt. De windturbines hebben een ashoogte van 80 meter en een rotordiameter van 66 meter. De windturbines staan opgesteld in een rechte lijn van zuidoost naar noordwest. De inrichting kan worden onderverdeeld in een noordelijk en een zuidelijk deel, elk bestaande uit vier windturbines, die worden gescheiden door de Oom Keesweg. De dichtstbijzijnde woning van derden is op ongeveer 550 meter van de inrichting gesitueerd.

2.4. Appellanten sub 1 kunnen zich niet met het besluit tot vergunningverlening verenigen, omdat verweerders daarbij naar hun mening geheel voorbij zijn gegaan aan de bijzondere waarden van het gebied waar de inrichting is gelegen voor vogels, in het bijzonder voor kleine zwanen en toendrarietganzen. Omdat het volgens appellanten sub 1 aannemelijk is dat de inrichting nadelige gevolgen zal hebben voor de vogelstand ter plaatse, hadden verweerders huns inziens daarnaar eerst onderzoek moeten verrichten alvorens op de vergunningaanvraag te beslissen.

Dit geldt naar de mening van appellanten sub 1 des te meer, nu bij het overleg dat is voorafgegaan aan de vaststelling van het gemeentelijke “Inrichtingsplan Windenergie 1991” werd afgesproken dat voorshands slechts het noordelijk deel van de inrichting zou worden gerealiseerd. Afhankelijk van de uitkomst van een in dat deel van de inrichting te verrichten onderzoek naar de gevolgen van de windturbines voor de vogelstand, zou later worden besloten over de uitbreiding met het zuidelijk deel. Door thans gelijktijdig voor zowel het noordelijke als het zuidelijke deel vergunning te verlenen, hebben verweerders volgens appellanten sub 1 in strijd met deze afspraken gehandeld en aldus het vertrouwensbeginsel geschonden.

Verder zijn appellanten sub 1 van mening dat verweerders door een onderzoek naar de gevolgen van de inrichting voor de vogelstand ter plaatse achterwege te laten, onvoldoende rekening hebben gehouden met artikel 4, eerste en derde lid, van het Verdrag van Bern van 19 september 1979 inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieu in Europa (hierna: het Verdrag) alsmede met de Europese Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979; hierna: de Richtlijn). Appellanten sub 1 hebben in dit verband betoogd dat het onderhavige gebied voorzover het betreft de kleine zwaan en de toendrarietgans ruimschoots voldoet aan de criteria om te worden aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn. Ter staving van hun standpunt hebben zij diverse publicaties overgelegd, waaronder het rapport “Vogels Binnendijks”, dat in opdracht van de Waddenvereniging is opgesteld.

2.4.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het in werking zijn van de inrichting niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de vogelstand ter plaatse. Dit standpunt berust op de onderzoeksgegevens die zijn gebruikt bij het vaststellen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1996”.

2.4.2. De Afdeling stelt voorop dat, wat er zij van de bij de voorbereiding van het “Inrichtingsplan Windenergie 1991” gemaakte afspraken, het beroep van appellanten sub 1 op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De aanvraag dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Slechts binnen het kader van de rechtmatige toepassing van die bepalingen kan betekenis toekomen aan door gedane toezeggingen gewekte verwachtingen. Het beroep van appellanten gaat hieraan voorbij.

2.4.3. Ten aanzien van het beroep van appellanten sub 1 op artikel 4, eerste en derde lid, van het Verdrag overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Verdrag neemt iedere Verdragsluitende Partij passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om de leefmilieus van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten te beschermen, in het bijzonder van de soorten, genoemd in de bijlage I en II, en om de bedreigde natuurlijke leefmilieus in stand te houden.

Ingevolge het derde lid van dit artikel verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van de gebieden die van belang zijn voor de in de bijlagen II en III genoemde trekkende soorten en die gunstig liggen ten opzichte van de trekroutes, zoals overwinterings-, rust-, voeder-, broed- of ruiplaatsen.

Deze artikelleden bevatten naar het oordeel van de Afdeling geen bepalingen die in dit geval door de rechter als een ieder verbindend in de zin van artikel 93 van de Grondwet moeten worden toegepast. Het beroep van appellanten sub 1 op het Verdrag slaagt derhalve evenmin.

2.4.4. Ten aanzien van het beroep van appellanten sub 1 op de Richtlijn overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn, voorzover hier van belang, dienen de Lid-Staten voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde vogelsoorten speciale beschermingsmaatregelen te treffen, met name door het aanwijzen van de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voorzover hier van belang, dienen de Lid-Staten soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, nemen de Lid-Staten passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in de leden 1 en 2 bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voorzover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn.

Vaststaat dat de inrichting niet is gelegen in een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de Richtlijn, noch is opgenomen in de “Inventory of Important Bird Areas in the European Community” (IBA 89) dan wel in de “Review of Areas Important for Birds in the Netherlands” (IBA 94).

De Afdeling acht het niet uitgesloten dat de inrichting invloed heeft op de vogelstand ter plaatse doordat vogels met de windturbines in aanvaring kunnen komen en het potentiële foerageergebied voor de vogels afneemt vanwege de door de windturbines veroorzaakte verstoring, maar mede gelet op het deskundigenbericht bestaan er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het daarbij gaat om zodanige gevolgen dat er sprake zou zijn van wezenlijke invloed in de zin van artikel 4, vierde lid, van de Richtlijn. Mitsdien faalt het beroep van appellanten sub 1 op de Richtlijn, nog daargelaten de vraag of het betrokken gebied ten onrechte niet als speciale beschermingszone is aangewezen, in welk geval het beschermingsstelsel van artikel 4, vierde lid, van de Richtlijn van toepassing is, en of dit artikellid inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is, zodat justitiabelen zich voor de nationale rechter daarop kunnen beroepen.

2.4.5. Bezien in het licht van het vorenoverwogene, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening hebben gehouden met de waarde voor vogels van het betrokken gebied. Ook in dit opzicht slaagt het beroep van appellanten sub 1 derhalve niet.

2.5. Appellanten sub 2, 3 en 4 hebben diverse beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau die verweerders aan de vergunning hebben verbonden. Zij zijn allen van mening dat deze grenswaarden met name voorzover het betreft de nachtperiode onvoldoende bescherming bieden, gelet op de hoogte van het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse. Appellant sub 3 heeft in dat verband aangevoerd dat de waarden van het referentieniveau van het omgevingsgeluid waarop verweerders zich bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden hebben gebaseerd niet representatief zijn, omdat daaraan te weinig metingen van het L95 van het omgevingsgeluid ten grondslag liggen. Tevens zijn volgens appellant sub 3 de ijk- en kalibreergegevens van de gebruikte meetapparatuur in het rapport van die metingen ten onrechte niet vermeld. Appellanten sub 2 kunnen zich in het bijzonder niet verenigen met het feit dat verweerders ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder uitsluitend doelvoorschriften in de vorm van grenswaarden aan de vergunning hebben verbonden en geen middelvoorschriften. Tevens hebben verweerders volgens appellanten sub 2 ten onrechte geen bescherming toegekend aan de bij hen in gebruik zijnde agrarische gronden, die dichter bij de inrichting zijn gelegen dan de beoordelingspunten ter hoogte waarvan de gestelde geluidgrenswaarden gelden. Dit betekent, aldus appellanten sub 2, dat zij tijdens het verrichten van hun werkzaamheden ter plaatse aanzienlijke geluidhinder zullen ondervinden.

2.5.1. Ingevolge de voorschriften 2.1 en 2.2 mag, kort weergegeven, het door de inrichting veroorzaakte equivalente geluidniveau (LAeq) op de rekenpunten zoals vermeld in de tabellen VIIIa en VIIIb in het akoestisch rapport van Adviesbureau Peutz & Associés B.V., nummer 4141-10, d.d. 16 april 1999, niet méér bedragen dan de waarden genoemd in die tabellen. Deze grenswaarden, die zijn gedifferentieerd naar het lage dan wel het hoge toerental van de windturbines alsmede naar verschillende windsnelheden, zijn gelijk voor zowel de dag-, avond- als nachtperiode en gelden op vijf meter hoogte, exclusief gevelreflectie. De grenswaarden lopen uiteen van 20,1 dB(A) voor rekenpunt 28 bij een laag toerental en een windsnelheid van 2,8 m/s tot 37,6 dB(A) voor rekenpunt 35 bij een hoog toerental en een windsnelheid van 10 m/s.

Ingevolge voorschrift 2.5 moeten geluidmetingen en - berekeningen worden uitgevoerd en beoordeeld overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01”.

2.5.2. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen, voorzover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, de voorschriften inhouden dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast.

Verweerders hebben naar voren gebracht dat zij het niet noodzakelijk hebben geacht om ter voorkoming dan wel beperking van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting middelvoorschriften aan de vergunning te verbinden, omdat het aan vergunninghoudster is om te bepalen op welke wijze zij aan de gestelde doelvoorschriften - de geluidgrenswaarden - wil voldoen.

De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. De desbetreffende beroepsgrond van appellanten sub 2 slaagt daarom niet.

2.5.3. De Afdeling stelt vast dat de rekenpunten waarop de in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden betrekking hebben, zijn gelegen bij in de omgeving van de inrichting gelegen woningen van derden. Kennelijk hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat de agrarische gronden van appellanten sub 2 geen bescherming tegen geluidhinder toekomt, omdat deze gronden geen voor geluidhinder gevoelig object zijn. De Afdeling acht dit standpunt juist, nu op deze gronden geen mensen gedurende langere perioden van de dag verblijven. De desbetreffende beroepsgrond van appellanten sub 2 faalt derhalve.

2.5.4. Bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden voor het equivalente geluidniveau voor de inrichting hebben verweerders blijkens de stukken hoofdstuk 4 van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Bij de toepassing van dit hoofdstuk hebben verweerders geluidgrenswaarden exclusief gevelreflectie, dat wil zeggen voor het invallende geluid, voorgeschreven. Een dergelijke toepassing van de Handreiking is niet in strijd met het recht.

Anders dan de Voorzitter bij uitspraak van 30 juni 2000, no. 200000696/1, inzake de door appellanten sub 1 en 2 ingediende verzoeken om voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit heeft geoordeeld, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit voldoende duidelijk is voorzover daarin enerzijds geluidgrenswaarden exclusief gevelreflectie zijn voorgeschreven en anderzijds in voorschrift 2.5 is verwezen naar de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01” (hierna: de Handleiding). Zij overweegt daartoe het volgende.

Op grond van de Handleiding moeten in een situatie als de onderhavige, waar het gaat om een inrichting die niet ligt op een gezoneerd industrieterrein, metingen en berekeningen van de geluidbelasting worden verricht voor punten op een afstand van 1,5 à 2 meter voor een gevel van een geluidgevoelig object. Aldus wordt ook de reflectie van het geluid op de achterliggende gevel meegenomen. Dit betekent dat een tot 3 dB(A) hogere geluidbelasting wordt vastgesteld dan de geluidbelasting vanwege het invallende geluid.

Vastgesteld moet worden dat uit de voorschriften 2.1 en 2.2 ondubbelzinnig volgt dat de daarin gestelde geluidgrenswaarden gelden exclusief gevelreflectie, derhalve voor het invallende geluid. Voorschrift 2.5 bepaalt in feite slechts hoe de geluidbelasting moet worden gemeten en berekend om vast te stellen of aan de normen wordt voldaan.

Naar het oordeel van de Afdeling moeten de voorschriften 2.1, 2.2 en 2.5, in onderlinge samenhang bezien, aldus worden begrepen dat bij de beoordeling van de geluidimmissie de Handleiding moet worden toegepast met dien verstande dat - in afwijking van de Handleiding - het invallende geluid moet worden bepaald. Dit betekent dat voor de gevelreflectie moet worden gecorrigeerd indien de resultaten van de geluidmetingen dan wel geluidberekeningen punten betreffen die zijn gelegen op 1,5 tot 2 meter voor een gevel. De Handleiding voorziet in technische gegevens met behulp waarvan dit kan geschieden.

2.5.5. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben verweerders hoofdstuk 4 van de Handreiking aldus toegepast, dat zij voor het vaststellen van de equivalente geluidgrenswaarden voor de inrichting aansluiting hebben gezocht bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse. Verweerders hebben de waarden van het referentieniveau van het omgevingsgeluid waarvan zij zijn uitgegaan, ontleend aan het in de voorschriften 2.1 en 2.2 genoemde rapport, dat bij de aanvraag behoort.

Het referentieniveau van het omgevingsgeluid is in de Handreiking gedefinieerd als de hoogste van de volgende twee waarden, te weten de waarde van het gemeten L95 van het omgevingsgeluid en de waarde van het optredende equivalente geluidniveau van het wegverkeerslawaai minus 10 dB(A).

In het hiervoor genoemde akoestisch rapport zijn de resultaten weergegeven van metingen van het L95 van het omgevingsgeluid die in twee verschillende seizoenen op drie posities in de omgeving van de inrichting bij verschillende windsnelheden zijn verricht. Daarnaast is in het rapport voor die woningen in de omgeving van de inrichting die in de nabijheid van de autosnelweg A7 zijn gelegen de waarde van het optredende wegverkeerslawaai minus 10 dB(A) berekend. Op basis van deze metingen en berekeningen is in het rapport voor de verschillende rekenpunten het referentieniveau van het omgevingsgeluid voor verschillende windsnelheden bepaald.

Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om te veronderstellen dat de metingen van het L95 van het omgevingsgeluid zijn verricht met apparatuur die niet is geijkt dan wel om de deugdelijkheid van het akoestisch rapport in twijfel te trekken, voorzover het betreft de wijze waarop in het daaraan ten grondslag liggende onderzoek het referentieniveau van het omgevingsgeluid is bepaald. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerders niet op de in het rapport genoemde waarden van het referentieniveau van het omgevingsgeluid hebben mogen afgaan.

De Afdeling stelt vast dat de in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde equivalente geluidgrenswaarden de in het rapport genoemde waarden van het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet overschrijden. Weliswaar is er op één rekenpunt voor één windsnelheid een grenswaarde gesteld die 0,6 dB(A) hoger is dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid voor de nachtperiode ter plaatse, maar de Afdeling acht deze overschrijding te gering om grond te bieden voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze grenswaarden een toereikend beschermingsniveau bieden.

De desbetreffende beroepsgronden van appellanten sub 2, 3 en 4 slagen derhalve niet.

2.6. Appellant sub 3 is van mening dat de realisering van de inrichting zal leiden tot een onherstelbare verminking van de landschappelijke waarden ter plaatse.

2.6.1. De beoordeling van deze beroepsgrond dient, gelet op de aard daarvan, primair plaats te vinden in het kader van de planologische regelingen. In het kader van de vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer is slechts ruimte voor een aanvullende toets. Binnen het kader van die aanvullende toets ziet de Afdeling in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de inrichting het landschap ter plaatse niet zodanig aantast dat om die reden de vergunning had moeten worden geweigerd dan wel aanvullende voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden. Gelet hierop treft ook deze beroepsgrond geen doel.

2.7. Appellanten sub 2 en 4 achten de zinsnede “hinderlijke verblinding” in voorschrift 5.28 onvoldoende duidelijk. Deze zinsnede dient naar hun mening nader te worden gepreciseerd.

2.7.1. Ingevolge voorschrift 5.27 wordt lichtschittering zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van lichtabsorberende materialen of coatingslagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats volgens de internationale richtlijn ISO 2813, tweede editie 1978, “Paints and varnishes measuerement of specular gloss of non metallic paint films at 20°, 60° and 85°“.

Ingevolge voorschrift 5.28 moeten, indien de zonnestand en windrichting desondanks toch zodanig zijn dat hinderlijke verblinding door weerspiegelend zonlicht van de draaiende wieken optreedt, deze wieken onmiddellijk worden stilgezet.

2.7.2. De Afdeling stelt vast dat voorschrift 5.28 moet worden gelezen in samenhang met voorschrift 5.27. Wanneer ondanks het toepassen van de in dit voorschrift voorgeschreven materialen sprake is van hinderlijke verblinding als bedoeld in voorschrift 5.28, kan niet op voorhand worden bepaald. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de term “hinderlijke verblinding” in voorschrift 5.28 nader gepreciseerd had behoren te worden. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.8. Appellanten sub 2 en 4 zijn van mening dat verweerders ter voorkoming dan wel beperking van slagschaduwhinder een voorschrift aan de vergunning hadden moeten verbinden met betrekking tot de precieze duur van de periode gedurende welke de inrichting slagschaduwhinder bij woningen van derden mag veroorzaken. Appellant sub 3 heeft betoogd dat een aantal van de uitgangspunten die zijn gehanteerd in het bij de aanvraag behorende rapport inzake de door de inrichting veroorzaakte slagschaduwhinder onjuist zijn.

2.8.1. In het bij de aanvraag behorende rapport inzake slagschaduwhinder is berekend dat als gevolg van het in werking zijn van de inrichting bij maximaal vier woningen aan de Oom Keesweg en één woning aan de Robbenoordweg nabij de A7 slagschaduweffecten kunnen optreden gedurende gemiddeld zeven tot negen dagen per jaar in de maanden februari, maart en oktober gedurende gemiddeld zeven tot acht minuten tussen 8.00 en 8.23 uur. Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om de deugdelijkheid van dit rapport in twijfel te trekken. De desbetreffende beroepsgrond van appellant sub 3 treft daarom geen doel.

Met betrekking tot het ontbreken van een voorschrift inzake de precieze duur van de slagschaduwhinder die maximaal is toegestaan, begrijpt de Afdeling het standpunt van verweerders aldus, dat zij van mening zijn dat een dergelijk voorschrift niet nodig is, in aanmerking genomen de beperkte omvang van de door de inrichting veroorzaakte slagschaduwhinder, zoals die blijkt uit voornoemd rapport. De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. De desbetreffende beroepsgrond van appellanten sub 2 en 4 slaagt derhalve evenmin.

2.9. Appellant sub 4 vreest dat als gevolg van het in werking zijn van de inrichting storingen in elektrische installaties en in telecommunicatie-apparatuur zullen ontstaan, omdat de inrichting is gelegen in de nabijheid van de straalzender Wieringermeer en daardoor de verspreiding van de signalen vanaf die zender kan belemmeren. Hij acht voorschrift 3.2, dat verweerders met betrekking tot dit hinderaspect aan de vergunning hebben verbonden, ontoereikend, nu dit voorschrift niet nader is geconcretiseerd met middelvoorschriften.

2.9.1. Ingevolge voorschrift 3.2 mogen de windturbines geen storing veroorzaken of invloed uitoefenen op elektrische installaties, radio- of televisieontvangst en/of in het telecommunicatieverkeer. Bij storing dient de vergunninghouder zodanige maatregelen te treffen dat een goede ontvangst gewaarborgd is.

De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het in dit geval niet noodzakelijk is om de maatregelen genoemd in de laatste volzin van voorschrift 3.2 in een middelvoorschrift nader te concretiseren. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

2.10. Appellanten sub 2 vrezen dat als gevolg van het aanbrengen van de funderingen voor de windturbines nieuwe kweladers zullen ontstaan, waardoor de reeds bestaande overlast van kwelwater op hun agrarische gronden onaanvaardbaar zal toenemen.

2.10.1. De Afdeling acht het op basis van het deskundigenbericht niet aannemelijk dat het aanbrengen van de funderingen voor de inrichting zal leiden tot een toename van de overlast van kwelwater op de agrarische gronden van appellanten sub 2. Daargelaten of de bescherming tegen overlast van kwelwater een belang is waarop de Wet milieubeheer betrekking heeft, hebben verweerders reeds hierom in dit aspect terecht geen aanleiding gezien de vergunning te weigeren dan wel aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.11 Appellant sub 3 heeft tot slot beroepsgronden naar voren gebracht met betrekking tot het gedoogbeleid dat verweerders ten aanzien van reeds bestaande windturbineparken voeren en de gang van zaken in de bestemmingsplanprocedure.

De Afdeling stelt vast dat deze aspecten niet zien op de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Zij doen daarom in het kader van deze procedure niet ter zake. Reeds hierom slagen deze beroepsgronden niet.

2.12. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.P.H. Donner, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Matiasen, ambtenaar van Staat.

w.g. Donner w.g. Matiasen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2001

264.