Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AE3905

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-05-2001
Datum publicatie
10-06-2002
Zaaknummer
200001683/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200001683/1.

Datum uitspraak: 31 mei 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 21 februari 2000 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Druten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 1998, aangevuld op 19 mei 1998, hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Druten aan de gemeenteraad (hierna: de raad) een voorstel gedaan om onder meer de aan appellant in eigendom toebehorende percelen aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 17 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing zijn.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 mei 1998 heeft de raad de gronden van appellant aangewezen in vorenbedoelde zin.

Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft de raad het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften van 21 augustus 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 februari 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

[redactie: url('AA5287',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=18852)

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 april 2000, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 mei 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2000 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.J. van Zwieten de Blom, advocaat te Zutphen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.A.C. Janssen, advocaat te Boxtel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Het bezwaar dat appellant tegen het besluit van 21 april 1998 heeft ingediend, moet op grond van artikel 9a, tweede lid, van de Wvg geacht worden te zijn gericht tegen het besluit van 28 mei 1998.

2.1.2. Bij dit besluit is gehandhaafd de beslissing tot vestiging van een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wvg op een drietal percelen van appellant in de gemeente Druten.

2.1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.2.1. De Afdeling kan zich met deze uitspraak verenigen.

De rechtbank heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de raad, gelet op de aan de gemeente Druten toegedachte uitbreidingscapaciteit, bevoegd was het onderhavige aanwijzingsbesluit te nemen, zonder dat daartoe een verklaring van geen bezwaar van de provincie Gelderland benodigd was. Het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juli 1998 doet daaraan niet af, nu - naar de rechtbank terecht heeft overwogen - in dat besluit geen onmiddellijke aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het oordeel, dat de aan de orde zijnde uitbreidingscapaciteit bij de herziening van het streekplan zou (moeten) worden geschrapt.

2.2.2. De rechtbank heeft voorts met recht overwogen dat het betoog van appellant, dat het voorkeursrecht ten tijde van de beslissing op bezwaar van rechtswege was vervallen als gevolg van appellants' beweerdelijke aanbod tot verkoop van de gronden aan de gemeente, niet kan slagen. Artikel 12, derde lid, van de Wvg, verbindt aan het verstrijken van de termijn waarbinnen burgemeester en wethouders op een dergelijk aanbod kunnen reageren, niet het rechtsgevolg dat een daarop gevestigd voorkeursrecht vervalt of dat een aanwijzingsbesluit in bezwaar niet kan worden gehandhaafd, doch slechts dat de eigenaar gedurende drie jaren de vrijheid verkrijgt om tot vervreemding aan derden over te gaan.

2.3. Het hoger beroep is mitsdien ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Zijlstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2001

240.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,