Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AE3715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200003822/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2001/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200003822/1.

Datum uitspraak: 12 december 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 10 juli 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 1999 hebben burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant bouwvergunning verleend voor het vergroten van een garage/berging op de percelen [straat] 29B en 29C te [woonplaats] (hierna: de percelen).

Bij besluit van 16 september 1999 hebben burgemeester en wethouders de daartegen door omwonenden gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de verleende bouwvergunning ingetrokken (lees: herroepen). Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juli 2000, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

P.J. Lindemans heeft bij brief van 29 mei 2001 een memorie ingediend.

Burgemeester en wethouders hebben bij brief van 8 juni 2001 een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2001, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Moen, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [bezwaarde].

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de vervanging van het platte dak van de op de percelen aanwezige garages door een puntdak. Vast staat dat de garages waarop het bouwplan betrekking heeft, zijn gebouwd met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

2.2. Ingevolge artikel 44 Woningwet moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien:

a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in de artikelen 2 en 120 bedoelde algemene maatregelen van bestuur gegeven voorschriften of, voorzover van toepassing, de voorschriften bedoeld in artikel 7a;

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening en, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die bij een in artikel 8, achtste lid, of bij krachtens een in artikel 120 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn gegeven;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, of

e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke bouwverordening is vereist en deze is geweigerd.

2.3. Voor het gebied waar het bouwplan is geprojecteerd, is geen bestemmingsplan van kracht. Het bouwplan kon, voorzover hier van belang, derhalve uitsluitend worden getoetst aan de bouwverordening.

2.4. Ingevolge artikel 2.5.12 van de bouwverordening is het verboden bouwvergunningsplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Ingevolge artikel 2.5.14, aanhef en onder e, f, h en j, van de bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:

e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;

f. bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken bedoelde gebouwen;

h. bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;

j. erkers, serres en overige uitbouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken bedoelde uitbouwen.

2.5. Het onderhavige bouwplan is in strijd met de bouwverordening, omdat wordt gebouwd met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Er kan derhalve slechts worden gebouwd als vrijstelling is verleend krachtens artikel 2.5.14 van de bouwverordening.

Dat destijds ten behoeve van de bouw van de garages voor overschrijding van de achtergevelrooilijn vrijstelling is verleend krachtens artikel 48, eerste lid, onder g, van de oude bouwverordening, dat betrekking heeft op aan- en uitbouwen, maakt dit niet anders. Voor de bouwkundige aanpassing van een bouwwerk dat onder verlening van een vrijstelling tot stand is gekomen, dient opnieuw vrijstelling te worden verleend voor overschrijding van de achtergevelrooilijn.

2.6. Vrijstelling op grond van artikel 2.5.14, aanhef en onder e, kan niet worden verleend, omdat hier geen sprake is van een binnenterrein. Gebleken is immers dat het terrein niet aan alle zijden duidelijk is afgescheiden van de omliggende percelen. Op grond van artikel 2.5.14, aanhef en onder f of j, van de bouwverordening kan evenmin vrijstelling worden verleend, omdat hier geen sprake is van het plaatsen van een dak op een bijgebouw of uitbouw, doch van het plaatsen van een dak op een zelfstandig gebouw. Voorts biedt ook artikel 2.5.14, aanhef en onder h, geen mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn, omdat hier sprake is van een gebouw.

2.7. Gelet op het voorgaande konden burgemeester en wethouders de strijdigheid van het bouwplan met de bouwverordening niet opheffen door het verlenen van een vrijstelling. Derhalve moest de bouwvergunning worden geweigerd en heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. drs. W.P. van der Haak, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Haak

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001

250.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,