Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AE3244

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
28-05-2002
Zaaknummer
200005868/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200005868/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 9 november 2000 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 1999 heeft de ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden te Accra, Ghana, namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) geweigerd het door appellant overgelegde Ghanese geboortebewijs te legaliseren.

Bij besluit van 14 februari 2000 heeft de Minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 november 2000, verzonden op 15 november 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 29 januari 2001 en 19 maart 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 4 april 2001 en 10 september 2001 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend. Bij eerstgenoemde brief heeft hij tevens verzocht om geheimhouding ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten aanzien van stukken die betrekking hebben op het door de Nederlands Ambassade in Ghana verrichte verificatie-onderzoek. Op 18 mei 2001 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat beperking van de kennisneming van de desbetreffende stukken gerechtvaardigd is. Bij faxbericht van 15 juni 2001 heeft appellant toestemming als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb verleend om mede op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.E. Eind, gemachtigde, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.M. Weeber, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBP) bevatten minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, doch deze normen zijn niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. Artikel 8:29 van de Awb geeft voor beroepsprocedures een regeling voor het achterhouden of geheimhouden van inlichtingen of stukken, artikel 7:4 geeft een vergelijkbare regeling voor de bezwaarschriftprocedure. Het zesde lid van artikel 7:4 van de Awb en het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb betreffende het achterhouden of geheimhouden van inlichtingen of stukken, houden een beperking in van het beginsel van de openbaarheid en dat van de “equality of arms”. De artikelen bepalen evenwel, dat deze beperking slechts om “gewichtige redenen” kan worden aangebracht. Het derde lid van artikel 8:29 van de Awb draagt de toetsing van deze beperking in de beroepsprocedure aan de rechter op. Acht de rechter de beperking gerechtvaardigd, dan is het ingevolge het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb aan de andere partij overgelaten te beslissen of de rechter mede op grondslag van de achtergehouden of geheim gehouden inlichtingen of stukken uitspraak kan doen. De beperkingsmogelijkheid is op deze wijze met zodanige waarborgen omkleed, dat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt.

Het andersluidende betoog van appellant die overigens hangende het hoger beroep in het bezit is gesteld van de verklaringen van zijn ouders en een onderzoeksrapport, faalt derhalve.

2.2. De Minister voert het beleid dat voor ter legalisatie aangeboden documenten uit, onder meer, Ghana, verificatie van de inhoud plaatsvindt alvorens tot legalisatie kan worden overgegaan. Daarbij geldt dat op de aanvrager de last rust aan te tonen dat de inhoud van een document deugdelijk is. De aanvrager dient in beginsel met ondersteunende, uit objectieve bronnen afkomstige gegevens de inhoud van het ter legalisatie aangeboden document aannemelijk te maken. De in beginsel aanwezige twijfel over de juistheid van de inhoud kan door onderzoek, dat naar aanleiding van door de aanvrager verstrekte gegevens door de Nederlandse ambassade in het desbetreffende land onder verantwoordelijkheid van de Minister plaatsvindt, geheel of gedeeltelijk worden weggenomen. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 11 mei 2000, no. 199900131/01 - die onder meer is gepubliceerd in JB 2000/165, JV 2000/116 en AB 2000, 305 - stelt de Afdeling voorop dat zij dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist acht.

2.3. Het bovenbeschreven beleid heeft de Minister, zoals ter zitting is bevestigd, niet willen herroepen met zijn beleid, neergelegd in de circulaire van 12 januari 2000, die is gepubliceerd in de Staatscourant van 24 januari 2000, nr.16/p.18. In de aanhef van deze circulaire is uitdrukkelijk opgenomen dat de Officiële Mededeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 7 maart 1996 inzake de aanwijzing van zogeheten probleemlanden niet is ingetrokken. In hoofdstuk A van de circulaire van 12 januari 2000 is neergelegd dat stukken afkomstig uit de zogeheten probleemlanden alleen dienen te worden aanvaard indien deze gelegaliseerd en inhoudelijk geverifieerd zijn. Het betoog van appellant met een beroep op voormelde circulaire dat het door hem overgelegde geboortebewijs dient te worden vrijgesteld van legalisatie omdat legalisatie van zijn geboortebewijs als in 1991 is geschied, faalt derhalve. Het betrof hier legalisatie zonder voorafgaande verificatie.

2.4. Gelet op het voorgaande, het verhandelde ter zitting alsmede de stukken waarvan de Afdeling met toestemming van appellant kennis heeft kunnen nemen, is de rechtbank niet ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de Minister het standpunt heeft kunnen innemen dat de in beginsel aanwezige twijfel over de juistheid van de geboortedatum niet is weggenomen. Daarbij is van belang dat geen bevestiging van de geboortedatum in onafhankelijke objectieve bronnen is gevonden. Appellant heeft geen gegevens ter ondersteuning van de juistheid van zijn geboortedatum overgelegd, anders dan afkomstig van directe familie.

Voorts heeft de Minister in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien in afwijking van zijn beleid tot legalisatie over te gaan.

2.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001

15-378.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,