Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AE2652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
16-05-2002
Zaaknummer
200101298/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 25K

Uitspraak

Raad

van State

200101298/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 6 maart 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 1999 heeft de Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Holland (hierna: de Commissaris) aan [vergunninghouder] te [woonplaats] (hierna: vergunninghouder) vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Vogelwet 1936 (hierna: de Vogelwet) verleend voor het tijdvak 1 mei 1999 tot en met 15 oktober 1999.

Bij besluit van 20 juli 2000 heeft de Commissaris - nadat het eerdere besluit op bezwaar van 11 februari 2000 door de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) bij uitspraak van 13 juni 2000 was vernietigd - het tegen het besluit van 25 juni 1999 door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, waarbij het tijdvak waarvoor de vergunning geldt nader is vastgesteld op 15 juli 1999 tot en met 15 oktober 1999. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 maart 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2001 heeft de vergunninghouder een memorie ingediend.

Bij brief van 28 juni 2001 heeft de Commissaris van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Commissaris. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door A.P. de Jong, secretaris, en de Commissaris, vertegenwoordigd door drs. A. Don en mr. A. de Groot, ambtenaren der provincie, en vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5 van de Vogelwet is het doden, pogen te doden, vangen, pogen te vangen of opzettelijk verontrusten van beschermde vogels verboden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vogelwet, voor zover hier van belang, kan, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het doden of vangen en daarna vervoeren van beschermde vogels, het zoeken, rapen of uithalen van hun eieren dan wel het verstoren of wegnemen van hun nesten, vergunning tot het verrichten van deze handelingen worden verleend ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Het door de Commissaris in dit kader toegepaste beleid is neergelegd in de, in overleg met diverse bij de uitvoering van het faunabeleid betrokken instanties vastgestelde, “Beleidsnota Uitvoeringsprogramma Faunabeleid” (hierna: beleidsnota).

2.2. Aan vergunninghouder, die aardbeien teelt in West-Friesland, is ter voorkoming van belangrijke schade aan zijn gewassen onder voorschriften vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Vogelwet verleend voor het afschieten van spreeuwen met een vuurwapen.

2.3. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de grieven van appellante, voor zover deze betrekking hebben op het aspect “belangrijke schade” en het alternatief van het gebruik van netten, niet kunnen slagen, reeds op de grond dat de rechtbank deze grieven al eerder heeft beoordeeld in haar uitspraak van 13 juni 2000 en appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft aangetekend. Deze overweging kan geen stand houden. Immers, na de -algehele - vernietiging van het besluit van 11 februari 2000, diende de Commissaris een geheel nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, welke beslissing in de hierop gevolgde procedure bij de rechtbank opnieuw in zijn geheel ter toetsing voorlag. De Afdeling zal de hierop betrekking hebbende grieven, die appellante in hoger beroep heeft herhaald, alsnog inhoudelijk beoordelen.

2.4. De Commissaris heeft, onder verwijzing naar de beleidsnota, overwogen dat in het onderhavige geval sprake is van dreiging van belangrijke schade als bedoeld in artikel 10 van de Vogelwet. In de beleidsnota wordt van belangrijke schade aan gewassen gesproken, als het ondervonden dan wel te verwachten schade betreft die frequent van aard is en die het resultaat bij bedrijfsmatige teelt van gewassen onevenredig beïnvloedt. Voor een aantal situaties in de provincie wordt de aanwezigheid daarvan zonder nadere onderbouwing aangenomen. Die situaties betreffen bepaalde aaneengesloten gebieden waar uit ervaring is gebleken dat structureel aanmerkelijke landbouwschade is te verwachten ten gevolge van bepaalde diersoorten op vaste perioden aan specifieke gewassen. Zo wordt onder meer bij de teelt van zachtfruit, met name aardbeien, in West-Friesland in de periode van mei tot half oktober aangenomen dat sprake is van structureel belangrijke schade ten gevolge van de spreeuw. De Afdeling ziet in de door appellante aangevoerde grieven geen aanleiding dit beleid in strijd met het toepasselijke recht te houden. Naar haar oordeel heeft de Commissaris voorts in redelijkheid kunnen aannemen dat ook in het onderhavige geval sprake is van belangrijke schade in de hiervoor bedoelde zin.

2.5. Het betoog van appellante dat de Commissaris ook in zijn besluit van 20 juli 2000 onvoldoende heeft onderbouwd op grond waarvan eventuele schade niet met alternatieve middelen, met name door het spannen van netten, kan worden bestreden, kan evenmin slagen. De Commissaris beschikt bij de toepassing van het begrip “andere bevredigende oplossing” over een zekere beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van onder meer de door appellante genoemde alternatieven heeft de Commissaris zich grotendeels gebaseerd op de adviezen van het Jachtfonds. Hoewel van de zijde van de Commissaris ter zitting niet is ontkend dat aan bedoelde adviezen niet altijd een wetenschappelijk onderzoek is voorafgegaan, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de algemene ervaring en kennis waarover het Jachtfonds beschikt en waarop zijn adviezen veelal zijn gebaseerd, als onvoldoende onderbouwing hiervan moeten worden aangemerkt. Het Jachtfonds kan ter zake als voldoende deskundig worden aangemerkt. De overweging van de Commissaris dat de kosten die gepaard gaan met het spannen van netten in het geval van vergunninghouder, gelet op de grootte van diens terrein en het feit dat hij wisselteelt toepast, onevenredig zijn in verhouding tot de opbrengst, zodat dit evenmin als een reële andere bevredigende oplossing kan worden aangemerkt, komt de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, voorts niet onjuist voor. De Commissaris heeft naar het oordeel van de Afdeling aan zijn standpunt dat er geen andere bevredigende oplossing in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Vogelwet bestaat, een deugdelijke motivering ten grondslag gelegd. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6. De Afdeling heeft onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat, zoals appellante beweert, vergunninghouder niet tevens gebruik maakt van andere verjagingsmiddelen, zoals vergunningvoorschrift 7 voorschrijft. Zij ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van diens verklaring dat hij de spreeuwen tevens verjaagt door gebruik van het geweer en door de aanwezigheid van mensen op zijn terrein.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop die berust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en prof. mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001

97-383.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,