Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AE2648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
15-05-2002
Zaaknummer
200004555/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 24K

Uitspraak

Raad

van State

200004555/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 12 september 2000 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 1999 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Staatssecretaris) geweigerd om aan appellant een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 21 van de Vogelwet 1936 voor het invoeren uit Guinee van twintig Afrikaanse steppe-arenden (Aquila rapax).

Bij besluit van 29 oktober 1999 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 september 2000, verzonden op 18 september 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 maart 2001 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door J.M.A. Klaus, gemachtigde te Nederweert, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Klaus, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.A. Gankema, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7 van de Vogelwet 1936, zoals deze wet luidde ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar (hierna: de Vogelwet), is het verboden, voorzover hier van belang, beschermde vogels, vogels als bedoeld in artikel 2 of produkten van die vogels binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 2º, verstaat de Vogelwet onder beschermde vogels: alle vogels, welke behoren tot een der in Europa in het wild levende soorten, met uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet genoemde vogels.

Ingevolge artikel 21, voorzover hier van belang, kan in het belang van de vogelstand, de opvoeding of de wetenschap vergunning worden gegeven tot het verrichten van bij artikel 7 verboden handelingen.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van richtlijn no. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EG L 103 van 25 april 1979), zoals nadien gewijzigd (hierna: de Vogelrichtlijn), heeft deze richtlijn betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Vogelrichtlijn verbieden de Lid?Staten, onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3, voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of uit deze vogels verkregen produkten.

2.3. Appellant heeft aangevoerd dat de Afrikaanse steppe-arenden, die hij vanuit Guinee in Nederland wenst in te voeren, niet onder het beschermingsregime van de Vogelwet en de Vogelrichtlijn vallen. Hij betoogt in dit verband dat de door de Europese Commissie uitgegeven lijsten met vogelsoorten geen rechtskracht hebben en slechts als informatieverschaffing dienen en dat de Staatssecretaris gehouden is om, op verzoek van een belanghebbende zoals in dit geval appellant, zelf te onderzoeken of een soort daadwerkelijk bescherming dient te genieten op basis van de Vogelrichtlijn en de Vogelwet. Hierbij dient volgens appellant betekenis te worden gehecht aan het feit dat de Aquila rapax slechts als “accidental visitor” (dwaalgast) in het relevante beschermingsgebied verblijft.

Verder heeft appellant benadrukt dat de status van de Aquila rapax die van dwaalgast is en heeft hij gesteld dat uit andere vogelgidsen dan de door de Staatssecretaris genoemde, blijkt dat de soort niet op het Europese grondgebied van de Lid-Staten in het wild levend voorkomt, zodat de soort zijns inziens ten onrechte op de door de Staatssecretaris gehanteerde lijst voorkomt.

2.4. Onbetwist is dat de Aquila rapax, onder de vermelding “accidental visitor”, voorkomt op de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen uitgegeven lijst met soorten, die duidelijk maakt welke vogelsoorten natuurlijk in het wild levend in Europa voorkomen. Ook op eerdere versies van deze lijst dan de in het voorjaar van 1999 gepresenteerde en in het najaar van dat jaar door de Lid?Staten geaccordeerde versie, kwam de Aquila rapax voor.

Op basis van de door de Europese Commissie vastgestelde lijst heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een lijst opgesteld van de vogelsoorten die worden gerekend tot de beschermde vogels in de zin van de Vogelwet. Ook op deze lijst staat de Aquila rapax vermeld, zowel op de editie van 1997 als op de ten tijde van de beslissing op bezwaar geldende editie.

2.5. Voor de beantwoording van de vraag of de Afrikaanse steppe-arend op het Europees grondgebied natuurlijk in het wild levend voorkomt en derhalve bescherming verdient, mocht de Staatssecretaris, zoals hij heeft gedaan, afgaan op de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en tevens door hemzelf vastgestelde lijst van beschermde vogels.

2.5.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat de Staatssecretaris van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen, in aansluiting op het oordeel van de Juridische Dienst (Legal Service) van de Europese Commissie, dat een “accidental visitor” is te rekenen tot de “natuurlijk in het wild levende vogelsoorten” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

2.5.2. Als criterium voor het opnemen van een vogelsoort op de door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgestelde lijst geldt, voorzover hier van belang, dat de soort sinds 1900 minstens vijf keer via erkende waarnemingen binnen het grondgebied van de Europese Unie is gesignaleerd, waarvan minstens één keer sinds 1980.

De door appellant naar voren gebrachte omstandigheid dat de Aquila rapax niet voorkomt in ‘A field guide to the Rare Birds of Britain and Europe’ van Lewington, Alström en Colston (1991) heeft de rechtbank niet doorslaggevend hoeven achten. Deze gids wordt gebruikt als referentiewerk voor de meer zeldzame soorten. Het voorkomen van de meer algemene soorten in de Europese Unie kan worden afgeleid uit diverse bronnen, waaronder meer algemene vogelgidsen als bijvoorbeeld ‘Petersons vogelgids’. De vermelding van de status “accidental visitor” staat er voorts niet aan in de weg dat de soort op de door de Minister gehanteerde lijst kon worden geplaatst.

2.5.3. Appellant betoogt derhalve tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Aquila rapax ten onrechte op de Europese lijst dan wel ten onrechte op de lijst van de Minister is geplaatst.

2.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan appellant heeft betoogd, terecht tot de conclusie gekomen dat de Afrikaanse steppe-arend onder het beschermingsregime van de Vogelwet en de Vogelrichtlijn valt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001

204.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,