Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AE0142

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
200101544/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 87
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 41K
Gst. 2002-7163, 7 met annotatie van R.J.N. Schlössels
Module Ruimtelijke ordening 2001/1163
JB 2002/22
JOM 2006/633
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200101544/1.

Datum uitspraak: 21 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's?Hertogenbosch van 18 januari 2001 in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Autobedrijf De Toekomst B.V.", gevestigd te Vlijmen,

2. [verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 1999 heeft appellant het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Autobedrijf De Toekomst B.V." (hierna: het autobedrijf) en [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) om vergoeding van de schade, die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de op 3 december 1986 en 9 februari 1989 verzonden besluiten van appellant, afgewezen.

Bij besluit, verzonden op 19 april 2000, heeft appellant het daartegen door het autobedrijf en [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 januari 2001, verzonden op 22 januari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen door het autobedrijf en [verzoeker] ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 juli 2001 hebben het autobedrijf en [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Vrijman, ambtenaar ten departemente, en het autobedrijf en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van 15 juni 1993 inzake de nummers R01.90.6072 en R01.90.6075 heeft de Afdeling rechtspraak de op 3 december 1986 en 9 februari 1989 verzonden besluiten van appellant, waarbij hij ? voorzover thans van belang ? de gevraagde bijdrage, als bedoeld in de artikelen 18 en 19 van de Interimwet bodemsanering (hierna: de Ibs), voor de sanering van het zogenoemde Gerjo-terrein in Vlijmen, gedeeltelijk heeft geweigerd, vernietigd.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door het autobedrijf en [verzoeker] ingestelde beroep tegen de gehandhaafde afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand ten bedrage van ƒ 89.075,09, die zij als gevolg van de bij de eerdergenoemde uitspraak van 15 juni 1993 vernietigde besluiten stellen te hebben geleden.

2.2.1. Vóór de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht kon tegen beschikkingen op basis van de Ibs ingevolge artikel 7 van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen beroep worden ingesteld bij de Afdeling rechtspraak. Ná die inwerkingtreding op 1 januari 1994 was de Afdeling tot 15 mei 1994 op grond van artikel 22 van de Ibs, en vanaf die datum op grond van artikel 87 van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb), gelezen in samenhang met artikel 20.1 van de Wet milieubeheer, bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen besluiten op basis van de Ibs en de Wbb.

2.2.2. Nu tegen een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, kan worden opgekomen bij de rechter die ten tijde van het nemen van het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit in het algemeen bevoegd was ten aanzien van die schadeoorzaak en, indien de toen aangewezen rechter niet meer als zodanig bestaat, die rechter bevoegd is die ten tijde van het nemen van het primaire schadebesluit in het algemeen bevoegd was te oordelen over besluiten zoals het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit, heeft de rechtbank zich, gelet op hetgeen in 2.2.1 is overwogen, terecht onbevoegd verklaard.

2.3. Appellant kan niet worden gevolgd in het betoog dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld in de door het autobedrijf en [verzoeker] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten en gelast dat hij het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Dat de rechtbank het beroep niet ondershands, maar bij uitspraak heeft doorgezonden aan de Afdeling moet aan appellant worden toegerekend. Niet alleen kan niet worden geoordeeld dat sprake is van kennelijke onbevoegdheid van de rechtbank, maar bovendien heeft appellant in de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 3:45 een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting gegeven door voor de beroepsmogelijkheid op de rechtbank te wijzen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt appellant in de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Autobedrijf De Toekomst B.V." en [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 1.420,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan hen te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M.G.J. Parkins?de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2001

-282.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,