Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD9825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
200104574/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 60 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200104574/1.

Datum uitspraak: 21 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's?Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 september 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te ’s?Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 september 2001, bij de Raad van State binnengekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 september 2001 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het beroepschrift, in aanvulling op de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop dat standpunt rust.

Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.3. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van haar artikelen 85 en 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep, die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.

2.4. Grief II klaagt dat de president ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat een vergelijkbare zaak in hoger beroep aan de Afdeling is voorgelegd op zichzelf niet voldoende is om een aanvraag niet in het aanmeldcentrum te behandelen.

2.4.1. Dienaangaande overweegt de Afdeling, zoals zij eerder heeft gedaan (bijvoorbeeld uitspraak van 27 augustus 2001 in zaak nr. 200103491/1), dat het er bij de toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen om gaat, of het desbetreffende besluit binnen 48 uur op zorgvuldige wijze is genomen. Dit mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing. De daarbij te hanteren wettelijke maatstaven en beleidsuitgangspunten verschillen niet van die, welke gelden bij reguliere afdoening van asielaanvragen. Zolang de staatssecretaris de verantwoordelijkheid voor beleidsuitgangspunten wenst te dragen en daar niet in rechte onaantastbaar over is geoordeeld dat deze rechterlijke toetsing niet kunnen doorstaan, mag daaraan worden vastgehouden, ongeacht de gekozen wijze van afdoening van de aanvraag. Deze grief treft derhalve geen doel.

2.5. Grief III en IV betogen dat president heeft miskend dat de in de aangevallen uitspraak vermelde algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken niet voldoende duidelijkheid bieden en dat de president de betekenis van het litteken van appellant heeft miskend. Dit betoog treft geen doel.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 12 oktober 2001 in zaak nr. 200103977/1, ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht) mag de staatssecretaris zich op basis van de informatie in de relevante ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Sri Lanka op het standpunt stellen dat het enkel hebben van littekens in het algemeen niet leidt tot het oordeel dat een reëel risico voor een arrestatie of detentie langer dan 48 tot 72 uur bestaat.

Voorts heeft de staatssecretaris - zoals de Afdeling eerder (voormelde uitspraak van 12 oktober 2001 en de uitspraak van 18 oktober 2001 in zaak nr. 200104092/1, ook ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht) heeft overwogen - evenzeer de conclusie mogen trekken dat geen grond bestaat onderscheid te maken tussen littekens die sterk lijken te duiden op gevechtshandelingen en andere die daarop niet duiden, in die zin dat de eerste wel en de tweede geen zelfstandig risico opleveren voor een arrestatie of detentie langer dan 48 tot 72 uur.

Het asielrelaas van appellant biedt, naar het in hoger beroep niet bestreden oordeel van de president, geen grond om aan te nemen dat in het geval van appellant sprake is van andere risico’s dan als gevolg van de gestelde littekens.

2.6. Grief I betreft geen rechtsvraag die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeft. Hetgeen is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 worden volstaan.

2.7. Hetgeen in het hoger beroepschrift onder V is aangevoerd is geen grief in de zin van artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Het daarin gestelde is uitsluitend een herhaling van een in beroep naar voren gebracht standpunt, waarop de president heeft beslist en kan mitsdien niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.8. Gelet op het hiervoor overwogene kunnen de aangevoerde grieven niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

In dezelfde zin heeft de Afdeling overwogen in de uitspraak van 18 oktober 2001 in zaak nr. 200104092/1, op een, voor zover thans van belang, vergelijkbaar hoger beroep. In die zaak is uitspraak gedaan na behandeling ter zitting. Thans kan worden geconcludeerd tot kennelijke ongegrondheid.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter,

en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Groeneweg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2001

32-362.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,