Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD9768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2001
Datum publicatie
04-03-2002
Zaaknummer
200105432/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200105432/1.

Datum uitspraak: 28 december 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's?Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 31 oktober 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 oktober 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s?Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 november 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) staat in afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank over de toekenning van de vergoeding, als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000.

2.1.1. Voorzover appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank in zoverre daarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen, is de Afdeling kennelijk niet bevoegd daarvan kennis te nemen.

2.2. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 bevat het hoger?beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2.2.1. Hetgeen in het hoger-beroepschrift onder 1, 2 en 4 is aangevoerd, bevat uitsluitend een herhaling van in beroep naar voren gebrachte gronden, waarop de rechtbank heeft beslist. Mitsdien is in zoverre geen sprake van grieven in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Het aangevoerde kan reeds om die reden niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3. Onder 3 klaagt appellant onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat toetsing aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet aan de orde is. Deze klacht berust evenwel op onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. In zoverre leidt de grief evenmin tot het er mee beoogde doel.

2.4. Grief 3 klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het allereerst op de weg van appellant ligt om een aanvraag, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in te dienen, zodat de staatssecretaris kan onderzoeken of appellant een reëel risico loopt op een behandeling, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Volgens appellant diende zijn beroep op die verdragsbepaling te worden beoordeeld in het kader van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier en het daarmee samenhangende verzoek om vrijstelling van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Appellant stelt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst over voldoende informatie beschikte om die beoordeling uit te kunnen voeren.

2.4.1. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 2, 37-38) is in de Vw 2000 een onderscheid gemaakt tussen de verblijfsvergunning asiel en de verblijfsvergunning regulier, teneinde te komen tot betere en snellere procedures en heeft de wetgever er voor gekozen om een eventueel beroep op artikel 3 van het EVRM slechts te beoordelen in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan deze vergunning worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde reden heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat, indien appellant bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een reëel risico om aan een behandeling, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, te worden onderworpen, het op zijn weg ligt om een aanvraag, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in te dienen. Anders dan appellant, overigens zonder nadere motivering, betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat een vreemdeling er aanspraak op heeft dat in iedere procedure die zijn toelating, verblijf of uitzetting betreft een eventueel beroep op artikel 3 van het EVRM onderzocht wordt. Dit griefonderdeel faalt evenzeer.

De beide andere onderdelen van de grief zijn niet gericht tegen overwegingen van de rechtbank en moeten daarom afstuiten op artikel 85 van de Vw 2000.

2.5. Voorzover de Afdeling bevoegd is daarvan kennis te nemen, is het hoger beroep kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen, in zoverre dit is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.W. Mackenzie, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Mackenzie

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2001

44-382.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,