Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD9276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
200105085/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 112 met annotatie van I. Sewandono
JV 2002/35 met annotatie van PB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State 200105085/1.

Datum uitspraak: 22 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 4 oktober 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 oktober 2001, verzonden op 8 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend. Daarop heeft appellant bij brief van 24 oktober 2001 gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

2.2. De enige grief strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte de jurisprudentie van de Afdeling inzake het niet toetsen van het strafrechtelijk voortraject heeft gevolgd, omdat uit artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) voortvloeit dat, nu tegen de strafrechtelijke aanhouding en ophouding geen daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van die bepaling voorhanden is, in geval van bewaring de vreemdelingenrechter het strafrechtelijk voortraject marginaal moet toetsen.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 25 oktober 2001, in zaak no. 200105040/1, ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht) is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. De bevoegdheid van de bijzondere rechter in vreemdelingenzaken is beperkt tot de beoordeling van op die wet gebaseerde vrijheidsontneming. Die wet biedt hem geen ruimte om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van aan de bewaring voorafgaande aanwending van strafvorderlijke bevoegdheden. Daartoe kan men zich wenden tot de ter zake van die aanwending bevoegde rechter of tot een rechter met algemene bevoegdheid.

2.4. De rechtbank heeft deze jurisprudentie terecht gevolgd. Artikel 13 van het EVRM houdt geen voor rechtstreekse toepassing door de rechter in vreemdelingenzaken vatbare bepaling in, waarbij aan hem een verderstrekkende of meeromvattende rechtsmacht wordt verleend, dan de nationale wet hem toekent. De grief faalt.

2.5. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd, is louter een herhaling van een bij de rechtbank aangevoerde grond, waarop de rechtbank heeft beslist. Mitsdien is geen sprake van een grief in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van dat artikel.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2001

273-347.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,