Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD9275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
200104598/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 585
Wetboek van Strafvordering 588
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 105
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/31 met annotatie van Mr. F. Fonville
AB 2001, 398

Uitspraak

Raad van State 200104598/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 6 september 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 6 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, verzonden per fax op 14 september 2001 en bij de Raad van State binnengekomen op die dag, hoger beroep ingesteld.

Bij faxbericht van 21 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Bij brief van 24 september 2001 heeft appellant desgevraagd de omstandigheden aangegeven die de overschrijding van de hoger-beroepstermijn hebben veroorzaakt.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De aangevallen uitspraak is blijkens het daarop geplaatste datumstempel verzonden op 6 september 2001, zodat de termijn voor het indienen van een hoger-beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is begonnen op 7 september 2001 en, gelet op artikel 69, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), is geëindigd op 13 september 2001.

Appellant heeft het hoger-beroepschrift derhalve niet binnen de daartoe gestelde termijn ingediend.

2.1.1. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 105 van de Vw 2000 zijn met betrekking tot de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen ingevolge de artikelen 94 tot en met 101, de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van overeenkomstige toepassing.

Het betoog dat ingevolge artikel 105 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 588, eerste lid, van het Sv de beroepstermijn eerst aanvangt, nadat de aangevallen uitspraak aan appellant in persoon is uitgereikt, faalt nu een situatie, als omschreven in die bepaling, zich hier niet voordoet.

Ingevolge het van toepassing zijnde artikel 585, eerste lid, van het Sv, voorzover thans van belang, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post. De aangevallen uitspraak is, overeenkomstig artikel 105 van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 585, eerste lid, van het Sv, per post verzonden en de hoger-beroepstermijn is met ingang van de dag daarop aangevangen.

Dat appellant, naar hij stelt, op het moment van verzending van de aangevallen uitspraak niet langer werd vertegenwoordigd door de raadsman die hem bij de behandeling van het beroep ter zitting als gemachtigde had bijgestaan - zodat de hoger-beroepstermijn niet is aangevangen na toezending aan die gemachtigde - leidt, wat hier ook van zij, niet tot het door hem met die stelling beoogde doel, nu appellant heeft nagelaten vóór die verzending de rechtbank van die omstandigheid op de hoogte te stellen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2001

15-385.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,