Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD8822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
200103469/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet geluidhinder bevat uitputtende regeling inzake bescherming tegen verkeers-geluidhinder. Planvoorschrift kan derhalve geen actieve, afdwingbare verplichting bevatten om geluidsbelasting van weg terug te dringen.

Dwangsomaanschrijving tot de Staat der Nederlanden tot het treffen van zodanige maatregelen aan en langs de A1 te Hengelo, dat alsnog wordt voldaan aan de ingevolge art. 3 van de planvoorschriften maximaal toegestane geluidsbelasting. Ingevolge art. 3.h planvoorschriften zijn de gronden onder meer bestemd voor een dubbelbaans autosnelweg met dien verstande dat ten aanzien van bestaande woningen voldaan moet worden aan de in de Wet geluidhinder vastgestelde maximaal toegelaten geluidsbelasting. Ingevolge art. 3.B.1 is het verboden gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

Nog daargelaten of art. 10.1 WRO niet reeds in de weg staat aan het opnemen van geluidnormen in een bestemmingsplan, kan er niet aan worden voorbij gezien dat de Wet geluidhinder, anders dan B&W betogen, een uitputtende regeling bevat ten aanzien van de bescherming tegen de hier bedoelde geluidhinder, nu deze wet voorziet in zonering van geluidhinder rond wegen in bestaande situaties, nieuwe situaties en bij reconstructie. Ingevolge het bepaalde in art. 76 van de wet vindt deze zonering plaats in het kader van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan. Nu de afstemming met het bestemmingsplan op deze wijze is geregeld, kunnen in het plan ter zake geen verdergaande gebruiksvoorschriften worden opgenomen. Dat brengt met zich dat het voorschrift van art. 3.h, laatste volzin, wil het verbindend zijn, zo moet worden gelezen dat het geen actieve, afdwingbare verplichting bevat om de geluidsbelasting van een aangelegde weg terug te dringen of te houden op een bepaald niveau dan wel om periodiek die geluidsbelasting opnieuw te onderzoeken.

De rechtbank heeft derhalve, in haar uitspraak van 30 mei 2001 inzake no. 00/1002 GEMWT H1 A, opgenomen onder LJN url('AB2052',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=25792), met juistheid overwogen dat B&W niet handhavend konden optreden, zoals zij hebben gedaan.

1. burgemeester en wethouders van Hengelo,

2. de Staat der Nederlanden en de Minister van Verkeer en Waterstaat,

appellanten.

mrs. P. van Dijk, R.W.L. Loeb, J.H.B. van der Meer

Awb 5:21

Wet geluidhinder 76

Wet op de Ruimtelijke Ordening 10.1

Bestemmingsplan "Rijksweg 1, gedeelte Buren-Hengelo Oost": gemeente Hengelo 3.h, 3.B.1

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2002/80
Gst. 2002-7158, 10 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2001/3727
JB 2002/49 met annotatie van Hans Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200103469/1.

Datum uitspraak: 19 december 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. burgemeester en wethouders van Hengelo,

2. de Staat der Nederlanden en de Minister van Verkeer en Waterstaat

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 30 mei 2001 in het geding tussen:

de Staat der Nederlanden

en

appellanten sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2000 hebben appellanten sub 1 (hierna: burgemeester en wethouders), voorzover thans van belang, de Staat der Nederlanden (de Minister van Verkeer en Waterstaat) op straffe van een dwangsom gelast binnen zes maanden zodanige maatregelen aan en langs de A1 te Hengelo te treffen, dat alsnog wordt voldaan aan artikel 3 van de bij het bestemmingsplan 'Rijksweg 1, gedeelte Buren-Hengelo Oost' behorende voorschriften.

Bij besluit van 28 november 2000 hebben zij, voorzover thans van belang, het daartegen door de Minister van Verkeer en Waterstaat gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 5 juni 2000 gehandhaafd. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 30 mei 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door de Staat der Nederlanden ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2001, en appellanten sub 2 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Burgemeester en wethouders hebben de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 18 september 2001. Appellanten sub 2 hebben dat gedaan bij brief van 10 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 2001 hebben appellanten sub 2 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op hun bezwaarschrift. Dit beroepschrift is ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben partijen onderscheidenlijk van re-en dupliek gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2001, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat te Breda, en mr. J.A.M. van der Velden, mr. H.E.M. Wolsink, R. Kippers en J.H. Winters, allen ambtenaar der gemeente, en appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en D. van der Gugten, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Burgemeester en wethouders hebben in hoger beroep allereerst betoogd dat de rechtbank de Staat der Nederlanden ten onrechte in zijn beroep heeft ontvangen en dat de belangen van de Minister van Verkeer en Waterstaat niet rechtstreeks bij het besluit van 5 juni 2000 betrokken zijn, zodat ook deze niet-ontvankelijk was. In elk geval heeft de rechtbank volgens burgemeester en wethouders miskend dat zij deze om die reden niet in bezwaar hadden mogen ontvangen.

Dit betoog faalt, reeds omdat het hier gaat om een aangelegenheid die tot de portefeuille van de Minister van Verkeer en Waterstaat behoort, zodat de Staat der Nederlanden en de Minister van Verkeer en Waterstaat in de procedure moeten worden vereenzelvigd.

2.2. Burgemeester en wethouders hebben voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen aanschrijving onder dwangsom wegens overtreding van artikel 3, aanhef en onder h, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Rijksweg 1, gedeelte Buren - Hengelo Oost' konden opleggen.

2.3. Ook dat betoog faalt.

2.3.1. De betrokken grond is bestemd tot 'Verkeerdoeleinden I', hetgeen, ingevolge het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder h, van de voorschriften inhoudt: aanleg van en gebruik ten behoeve van een dubbelbaans autosnelweg, per rijbaan bestaande uit 2 rijstroken en een vluchtstrook, voor met een dergelijke weg verband houdende werken zoals toegangswegen, andere wegen, ongelijkvloerse kruisingen en kruispunten, duikers en geluidwerende voorzieningen, alsmede voor bermen en sloten en landschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat ten aanzien van bestaande woningen voldaan moet worden aan de in de Wet geluidhinder (wet van 16 februari 1979, Stb. 99) vastgestelde maximaal toegelaten geluidsbelasting.

Ingevolge artikel 3, lid B, eerste lid, is het verboden gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

2.3.2. Nog daargelaten of artikel 10, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet reeds in de weg staat aan het opnemen van geluidnormen in een bestemmingsplan, kan er niet aan worden voorbij gezien dat de Wet geluidhinder, anders dan burgemeester en wethouders betogen, een uitputtende regeling bevat ten aanzien van de bescherming tegen de hier bedoelde geluidhinder, nu deze wet voorziet in zonering van geluidhinder rond wegen in bestaande situaties, nieuwe situaties en bij reconstructie. Ingevolge het bepaalde in artikel 76 van de wet vindt deze zonering plaats in het kader van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan. Nu de afstemming met het bestemmingsplan op deze wijze is geregeld, kunnen in het plan ter zake geen verdergaande gebruiksvoorschriften worden opgenomen.

2.3.3. Dat brengt met zich dat het voorschrift van artikel 3, aanhef en onder h, laatste volzin, van de voorschriften, wil het verbindend zijn, zo moet worden gelezen dat het geen actieve, afdwingbare verplichting bevat om de geluidsbelasting van een aangelegde weg terug te dringen of te houden op een bepaald niveau dan wel om periodiek die geluidsbelasting opnieuw te onderzoeken.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders niet handhavend konden optreden, zoals zij hebben gedaan.

2.3.4. Nu voor het nemen van het primaire besluit van 5 juni 2000 geen grondslag bestond, heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten om dit besluit te herroepen en is het hoger beroep van appellanten sub 2 gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van burgemeester en wethouders van 5 juni 2000 alsnog herroepen.

2.4. Ten aanzien van het beroep van appellanten sub 2 van 10 augustus 2001 overweegt de Afdeling het volgende.

Burgemeester en wethouders konden, nu het besluit van 5 juni 2000 wordt herroepen, niet meer op het door de Minister van Verkeer en Waterstaat ingediende bezwaarschrift beslissen. Dit betekent dat geen sprake is van het ten onrechte uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellanten sub 2 gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 30 mei 2001 in zaak nr. 00/1002 GEMWT H1 A, doch slechts voorzover daarbij het besluit van burgemeester en wethouders van Hengelo van 5 juni 2000 niet is herroepen;

III. herroept dat besluit;

IV. bevestigt die uitspraak voor het overige;

V. verklaart het beroep van appellanten sub 2 van 10 augustus 2001 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. J.H.B. van der Meer, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van de

ambtenaar van Staat:

w.g. Van Dijk w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2001

58-53.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,