Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD8698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
200104443/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6797
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 2
Grondwet 15
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 401 met annotatie van I. Sewandono
JV 2002/11
RV20010069 met annotatie van Reneman A.M. Marcelle
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State 200104443/1.

Datum uitspraak: 2 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 29 augustus 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2001 is aan appellant een zogenoemde voorlopige maatregel van bewaring opgelegd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 augustus 2001, verzonden op 31 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 september 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. S.H. Ong, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door A.E.J.I. Kuhlmann, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, door de staatssecretaris met het oog op de uitzetting in bewaring worden gesteld.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, voorzover thans van belang, stelt Onze Minister uiterlijk op de derde dag na bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 59, de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld.

Ingevolge het derde lid, voorzover thans van belang, doet de rechtbank mondeling of schriftelijk uitspraak.

Ingevolge het vierde lid verklaart de rechtbank het beroep gegrond, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van de tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.

2.2. De rechtbank heeft het ten aanzien van appellant genomen besluit opgevat als een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in voormeld artikel 59 van de Vw 2000. Derhalve heeft de rechtbank een uitspraak gedaan, als bedoeld in artikel 94, derde lid, van de Vw 2000, waartegen ingevolge artikel 95 van die wet hoger beroep openstaat.

2.3. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het ten aanzien van appellant genomen besluit kan worden aangemerkt als krachtens

artikel 59 van de Vw 2000 genomen.

2.4. In paragraaf A5/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire (hierna: de Vc 2000) is met betrekking tot het toepassen van een zogenoemde voorlopige maatregel van bewaring een beroep gedaan op de onder de Vreemdelingenwet, zoals die gold tot 1 april 2001, gedane uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 december 1998 in zaaknr. Awb 98/8644, waarin is overwogen dat onder bepaalde omstandigheden een voorlopig bevel tot bewaring, dat een onderdeel van het project Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS) vormde, gegeven kan worden. Volgens de Vc 2000 heeft de voorlopige maatregel een geldigheidsduur van maximaal 28 dagen en vormt hij eerst een titel tot daadwerkelijke vrijheidsbeneming gedurende

3 dagen na afloop van de voorlopige hechtenis of detentie. De voorwaarden en waarborgen terzake van de voorlopige maatregel van bewaring zijn in de Vc 2000 nader omschreven.

2.5. De Vw 2000 kent de voorlopige maatregel van bewaring niet; deze is louter gebaseerd op paragraaf A5/5.3.7.1 van de Vc 2000. Gelet op artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 15 van de Grondwet, behoeft een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming een wettelijke grondslag. Aan de Vc 2000, die een schriftelijke weergave van beleid behelst, kan geen toereikende bevoegdheid worden ontleend voor vrijheidsontneming, noch kan een daartoe strekkende bevoegdheid worden ontleend aan de passages in de wetsgeschiedenis, waarin indirect - door vermelding van het rapport VRIS - naar de voorlopige maatregel van bewaring wordt verwezen.

De bevoegdheid tot het opleggen van een maatregel van bewaring is in de Vw 2000 uitsluitend neergelegd in artikel 59. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de staatssecretaris met de voorlopige maatregel van bewaring beoogd heeft een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in dat artikel op te leggen. Artikel 59 van de Vw 2000, gelezen in verbinding met artikel 94 van die wet, biedt evenwel geen grondslag voor de voorlopige maatregel. De korte termijn van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, indiceert dat een besluit, als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000, gericht moet zijn op directe inbewaringstelling ter fine van uitzetting. Naar de staatssecretaris ter zitting heeft bevestigd, gaat bij oplegging van een voorlopige maatregel van bewaring ook geen kennisgeving uit naar de rechtbank, hoewel artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 dit in geval van vreemdelingenbewaring op de voet van artikel 59 van de Vw 2000 eist. In geval van een voorlopige maatregel immers verblijft de vreemdeling feitelijk in strafrechtelijke detentie, dan wel in voorlopige hechtenis, zodat de rechter de bewaring niet kan opheffen en derhalve geen toepassing kan geven aan de imperatieve bepaling van artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000.

2.6. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het besluit tot oplegging van de voorlopige maatregel tot inbewaringstelling geen steun vindt in artikel 59 van de Vw 2000 en, bij gebreke aan andere - vereiste - wettelijke grondslag, is genomen in strijd met de wet. De rechtbank heeft dit miskend.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het beroep tegen de opgelegde voorlopige maatregel van bewaring ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 14 augustus 2001 vernietigen wegens strijd met de wet.

2.8. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht van 29 augustus 2001, AWB 01/39807, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van

14 augustus 2001 ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 14 augustus 2001;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 2.840,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer).

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2001

15-343.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,