Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD8696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2001
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
200104635/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/10 met annotatie van BKO

Uitspraak

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

200104635/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2001

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 september 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. De maatregel is op 27 augustus 2001, na categoriewijziging, voortgezet. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats

's-Hertogenbosch, het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, blijkens het desbetreffende poststempel verzonden op 17 september 2001 en bij de Raad van State binnengekomen op 18 september 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De enige grief betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het ontbreken van toestemming van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), als bedoeld in paragraaf A5/5.3.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), niet leidt tot onrechtmatigheid van de inbewaringstelling. Dat de vreemdelingenbewaring tot het moment van de behandeling ter zitting heeft voortgeduurd, brengt niet mee dat de vereiste concrete belangenafweging heeft plaatsgevonden, aldus appellant.

2.2. Vorenbedoelde passage van de Vc 2000 luidt, voor zover thans van belang:

"Het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag

tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of

ingediend hebben, dient zo beperkt mogelijk te geschieden. (...)

Zolang de aanvraag nog niet in eerste aanleg is afgewezen, mag de

inbewaringstelling van asielzoekers uitsluitend plaatsvinden en

voortduren na vooraf verkregen toestemming van de IND. De

verkregen toestemming (wanneer en door wie) dient vastgelegd te

worden in de vreemdelingenadministratie".

2.3. Appellant heeft, nadat hij op 25 augustus 2001 op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring is gesteld, op 27 augustus 2001 een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Vervolgens is hij op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

2.4. Het enkele ontbreken van toestemming vooraf van de IND voor de inbewaringstelling van appellant op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, maakt de daarop aansluitende bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is in dit geval geen sprake. Aan alle wettelijke vereisten voor de voortzetting van de inbewaringstelling op deze andere grond is voldaan. Het besluit tot voortzetting van de inbewaringstelling is bevoegd genomen. Niet in geschil is dat zich een situatie, als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, voordoet. In het besluit is voorts uiteengezet, waarom het belang van de openbare orde de voortzetting van de bewaring vordert. De wet bepaalt niet dat een vreemdeling, die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend, niet in bewaring mag worden gesteld, voordat de IND daartoe toestemming heeft verleend. Overigens bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de inbewaringstelling onrechtmatig is.

2.5. De grief faalt derhalve.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en

mr. B. van Wagtendonk en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2001

15-343.

Verzonden: 24 oktober 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,