Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD8689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2001
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
200104754/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/7
AB 2002, 108

Uitspraak

Raad van State 200104754/1 en 200104754/2.

Datum uitspraak: 17 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 18 september 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 september 2001, verzonden op 19 september 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij faxbericht, bij de Raad van State binnengekomen op 26 september 2001, hoger beroep ingesteld, onderscheidenlijk de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit bericht is aangehecht.

Bij faxbericht van 4 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.3. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van artikel 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep, die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.

2.4. De grief waarin appellant verwijst naar de uitspraak van de rechtbank van 6 november 2000 levert geen zodanige rechtsvraag op, reeds daar deze uitspraak is gewezen onder vigeur en met toepassing van de Vreemdelingenwet die gold tot 1 april 2001. De rechtseenheidstaak die de Afdeling is opgedragen, betreft de rechtspraak van de zittingsplaatsen van de rechtbank te 's-Gravenhage inzake de toepassing van de Vw 2000, voor zover die aan hoger beroep is onderworpen.

2.5. In grief 2 betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte op enkele van de beroepsgronden - onder andere met betrekking tot het ambtsbericht van 7 april 2000 - niet uitdrukkelijk is ingegaan. Dat betoog kan niet slagen.

2.5.1. Dienaangaande wordt overwogen dat een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de staatssecretaris bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. In dat geval zal de staatssecretaris het ambtsbericht niet dan na het instellen van nader onderzoek terzake en bevestiging van de desbetreffende informatie aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

2.5.2. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank terecht het bestaan van dergelijke aanknopingspunten niet aangenomen. De op haar rustende motiveringsplicht strekt niet zover, dat zij gehouden is alle aangevoerde gronden afzonderlijk te bespreken. Voorzover in dit geval al zou moeten worden geoordeeld dat de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, kan die omstandigheid niet tot haar vernietiging leiden. Gelet op het dossier, moet worden aangenomen dat de rechtbank alle door appellant bij de aanvraag overgelegde bescheiden, waarvan appellant de inhoud kort uiteen heeft gezet, kende. Die stukken hebben de rechtbank kennelijk geen aanleiding gegeven om tot een ander dan het uitgesproken oordeel te komen.

2.6. Het hoger beroepschrift stelt voor het overige geen rechtsvragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Hetgeen daarin is aangevoerd kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op het bepaalde in

artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, worden volstaan.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Rechtdoende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins- de Vin w.g. Groeneweg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2001

32-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,