Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD8038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
200103183/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motiveringsplicht als bedoeld in art. 3:50 Awb geldt ten aanzien van het afwijken van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies en niet ten aanzien van het inwinnen van een nader advies.

Niet in geschil is dat X schade heeft geleden, doordat de waarde van zijn woning ten gevolge van het op 4 maart 1997 van kracht geworden bestemmingsplan “Gossinksweide” is verminderd. De schadebeoordelingscommissie heeft in haar advies aan de raad de waardevermindering van de woning op f. 55.000,00 geschat. Nadien heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), door de raad om nader advies verzocht, de waardevermindering op f. 25.000,00 geschat.

Bij de beslissing op bezwaar is dat laatste advies gevolgd. De rechtbank heeft overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom hij de SAOZ om nader advies heeft gevraagd en aldus art. 3:50 Awb heeft geschonden. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank aldus een onjuiste toepassing aan die bepaling heeft gegeven. Ingevolge die bepaling rust op het bestuursorgaan de plicht om, indien dat gebeurt, te motiveren, om welke redenen van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies wordt afgeweken.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, gold die plicht derhalve niet de beslissing van de raad om bij de SAOZ nader advies in te winnen, maar de beslissing op bezwaar, voorzover daarbij werd afgeweken van het door de schadebeoordelingscommissie uitgebrachte advies.

De rechtbank is niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de beslissing op bezwaar kan worden gedragen door het daaraan ten grondslag gelegde advies van de SAOZ. Zij zal daarover alsnog een oordeel moeten geven.

Gegrond hoger beroep.

De raad van de gemeente Hof van Twente, voorheen de gemeente Goor, appellant.

mrs. R.W.L. Loeb, B. van Wagtendonk, H.G. Lubberdink

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:50
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200103183/1.

Datum uitspraak: 12 december 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Hof van Twente, voorheen de gemeente Goor,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 15 mei 2001 in het geding tussen:

A, wonend te B,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 1999 heeft de raad van de gemeente Goor (hierna: de raad) een verzoek van A (hierna: A) om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 28 september 2000 heeft de raad het daartegen door A gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar f 28.567,12 aan schadevergoeding toegekend, waarbij de wettelijke rente is inbegrepen.

Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 mei 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door A ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 september 2001 heeft A een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door M.A. ten Heuw, bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, en A, in persoon, bijgestaan door mr. A.E.B. de Hollander, advocaat te Rijssen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat A schade heeft geleden, doordat de waarde van haar woning ten gevolge van het op 4 maart 1997 van kracht geworden bestemmingsplan "Gossinksweide" is verminderd. Ingevolge dat plan zijn de ten zuiden en (zuid)oosten van haar woning gelegen gronden, die de bestemmingen "Groensingel", "Tuincentrum" en "Groene ruimte" hadden, bestemd voor "Woningbouw".

2.2. De schadebeoordelingscommissie heeft in haar advies aan de raad de waardevermindering van de woning op f 55.000,00 geschat. Nadien heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), door de raad om nader advies verzocht, de waardevermindering op f 25.000,00 geschat. Bij de beslissing op bezwaar is dat laatste advies gevolgd.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de raad - samengevat weergegeven - onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom hij de SAOZ om nader advies heeft gevraagd en aldus artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft geschonden.

2.4. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank aldus een onjuiste toepassing aan die bepaling heeft gegeven. Ingevolge die bepaling rust op het bestuursorgaan de plicht om, indien dat gebeurt, te motiveren, om welke redenen van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies wordt afgeweken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, gold die plicht derhalve niet de beslissing van de raad om bij de SAOZ nader advies in te winnen, maar de beslissing op bezwaar, voor zover daarbij werd afgeweken van het door de schadebeoordelingscommissie uitgebrachte advies.

2.5. De rechtbank is niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de beslissing op bezwaar kan worden gedragen door het daaraan ten grondslag gelegde advies van de SAOZ. Zij zal daarover alsnog een oordeel moeten geven.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De zaak dient opnieuw door de rechtbank te worden behandeld. De Afdeling zal de zaak in verband hiermee met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State terugwijzen naar de rechtbank.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 15 mei 2001 in zaak no. 00/847 WET W1 A;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Frenkel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001

206-401.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,