Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD7951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2001
Datum publicatie
15-01-2002
Zaaknummer
200102664/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen algemene verplichting tot geneeskundig onderzoek aan lichaam aanvrager invalidenparkeerkaart.

Afwijzing aanvraag invalidenparkeerkaart met vermelding passagier op de grond dat appellant blijkens het geneeskundig onderzoek niet kan worden aangemerkt als een persoon die zich niet of nauwelijks te voet kan voortbewegen, zoals art. 1.3 Regeling invalidenparkeerkaart voorschrijft. Appellante voert aan dat zij niet in staat is om zich over grotere afstanden te voet voort te bewegen, ook niet als die duidelijk korter zijn dan 100 meter. Zij stelt dat de betrokken keuringsarts zijn advies niet op de lichamelijke tests heeft gebaseerd die nodig zijn om dit te beoordelen.

Anders dan appellante komt de ABRS tot de conclusie dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien om te oordelen dat nader onderzoek vereist was.

Zoals de ABRS eerder heeft overwogen gaat de bij het geneeskundig onderzoek te betrachten zorgvuldigheid in beginsel niet zo ver dat hieruit in het algemeen een verplichting zou voortvloeien om een keuring in de zin van een onderzoek aan het lichaam van de aanvrager te verrichten. In dit geval heeft de keuringsarts zijn op informatie en eigen waarneming gebaseerde advies getoetst aan nadere informatie van de behandelend revalidatiearts, waaruit is gebleken dat van een zich niet of nauwelijks te voet kunnen voortbewegen bij appellante geen sprake is. Eventuele bevindingen over problemen bij verplaatsing te voet op grotere afstanden kunnen daaraan niet afdoen.

Burgemeester en wethouders van Groningen.

dr. E.M.H. Hirsch Ballin, mrs. H. Troostwijk, W. van den Brink

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer 49, 53.a

Regeling invalidenparkeerkaart van 1 oktober 1991 (Stcrt. 1991, 202) 1.1, 1.3

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2001/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200102664/1.

Datum uitspraak: 28 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 13 april 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Groningen.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: burgemeester en wethouders) een aanvraag van appellante om verstrekking van een invalidenparkeerkaart met de vermelding passagier, afgewezen.

Bij besluit van 4 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 18 april 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 april 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2001, waar appellante in persoon, bijgestaan door J. van Donderen, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M. Folkers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) kan aan een invalide die zich niet of nauwelijks te voet kan voorbewegen, door de raad, of krachtens besluit van de raad, door burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, een invalidenparkeerkaart worden verstrekt. Ingevolge artikel 53, aanhef en onder a, van het BABW worden bij ministeriële regeling voorschriften vastgesteld omtrent de afgifte van invalidenparkeerkaarten. Hieraan is uitvoering gegeven in de Regeling invalidenparkeerkaart van 1 oktober 1991 (Stcrt. 1991, 202, hierna: de Regeling).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling, zoals deze luidde ten tijde van het nemen de beslissing op het bezwaar, kunnen voor een invalidenparkeerkaart in aanmerking komen personen die ten gevolge van invaliditeit met een permanent of progressief karakter, zonder hulpmiddelen en zonder hulp van een ander, zich redelijkerwijs niet over een bepaalde afstand te voet kunnen voortbewegen.

Ingevolge het derde lid wordt aan een in het eerste lid bedoelde persoon die zich niet of nauwelijks te voet kan voortbewegen en die voor verplaatsingen buitenshuis is aangewezen op vervoer door een ander, een invalidenparkeerkaart afgegeven, hierna te noemen passagierskaart, waarop het woord "passagier" is vermeld. Het hier gestelde criterium verschilt van het criterium van het tweede lid. Ingevolge het (hier niet toepasselijke) tweede lid wordt aan een in het eerste lid bedoelde persoon die zich redelijkerwijs niet over een langere afstand dan 100 meter te voet kan voortbewegen en die zich pleegt te vervoeren met een door hemzelf bestuurd voertuig, een invalidenparkeerkaart afgegeven, hierna te noemen bestuurderskaart.

2.2 Bij het in beroep bestreden besluit hebben burgemeester en wethouders de weigering om appellante in verband met haar invaliditeit een passagierskaart te verstrekken gehandhaafd, omdat, samengevat weergegeven, appellante blijkens het geneeskundig onderzoek dat naar aanleiding van haar aanvraag door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst/Centraal Meldpunt Zorg (CMZ) is ingesteld, niet kan worden aangemerkt als een persoon die zich niet of nauwelijks te voet kan voortbewegen, zoals artikel 1, derde lid, van de Regeling voorschrijft.

2.3 De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat het geneeskundig onderzoek van het CMZ waarop het in beroep bestreden besluit berust, toereikend is om burgemeester en wethouders te kunnen volgen in hun conclusie dat appellante ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar niet voldeed aan de vereisten voor afgifte van een passagierskaart. Appellante voert aan dat zij niet in staat is om zich over grotere afstanden te voet voort te bewegen, ook niet als die duidelijk korter zijn dan 100 meter. Zij stelt dat de keuringsarts van het CMZ zijn advies niet op de lichamelijke tests heeft gebaseerd die nodig zijn om dit te beoordelen.

Anders dan appellante komt de Afdeling tot de conclusie dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien om te oordelen dat nader onderzoek vereist was. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, in haar uitspraak van 16 december 1994 in zaak no. G03.93.0687 (welke uitspraak is gepubliceerd in AB 1995, 150), gaat de bij het geneeskundig onderzoek te betrachten zorgvuldigheid in beginsel niet zover dat hieruit in het algemeen een verplichting zou voortvloeien om een keuring in de zin van een onderzoek aan het lichaam van de aanvrager te verrichten. In dit geval heeft de keuringsarts zijn op informatie en eigen waarneming gebaseerde advies getoetst aan nadere informatie van de behandelend revalidatiearts, waaruit is gebleken dat van een zich niet of nauwelijks te voet kunnen voortbewegen bij appellante geen sprake is. Eventuele bevindingen over problemen bij verplaatsing te voet op grotere afstanden kunnen daaraan niet afdoen.

2.4 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5 Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Muller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001

242-391.

Verzonden: 28 november 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,