Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD7865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
21-03-2002
Zaaknummer
200004442/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200004442/1.

Datum uitspraak: 19 december 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 7 augustus 2000 in het geding tussen:

C te B

en

burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Breda (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan appellant vergunning te verlenen ten behoeve van het plaatsen van een uitbouw aan de achterzijde van de woning aan de […] […] […] te B (hierna: de woning).

Bij besluit van 6 juni 2000 (hierna: de beslissing op bezwaar) hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog onder verlening van vrijstelling, als bedoeld in artikel 21b van de planvoorschriften, bouwvergunning verleend ten behoeve van de uitbouw van de woning. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar en beroep van 25 mei 2000 met het daarbij behorende ontwerp-besluit van 10 maart 2000, waar in het besluit naar is verwezen, is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 augustus 2000, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het door C (hierna: C) daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de bezwaren van appellant tegen het besluit van 9 februari 2000 alsnog ongegrond verklaard en de uitspraak in de plaats van de beslissing op bezwaar gesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.M. Waszink, advocaat te Rotterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. P.L.J. Verhoef en ing. F.M.M. van der Hoven, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord C, bij monde van mr. H.D. Cotterell, advocaat te Breda.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen, Boeimeer N.W. 1964" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het onderhavige perceel de bestemmingen "Bouwklasse A" en "Eigen Tuinen".

Ingevolge artikel 21a van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen uitsluitend ten behoeve van woondoeleinden van de maximale bouwdiepte in klassen A en B ten behoeve van de uit- en aanbouw van woningen mits:

1. de totale panddiepte van de woning met uit- en/of aanbouw niet meer wordt dan 11 meter.

2. ..........

Ingevolge artikel 21b van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen als bedoeld in artikel 21a mits:

1. de totale panddiepte van de woning met uit- en/of aanbouw niet meer zal bedragen dan 12,50 meter;

2. de hoogte en de breedte van de uit- en/of aanbouw gelijk zal zijn aan de hoogte en breedte van de begane grondverdieping;

3. het overblijvende gedeelte van de open erf of tuin niet minder dan 40 m2 zal bedragen.

2.2. Vast staat dat met de uitbouw de maximale bouwdiepte wordt overschreden.

2.3. Burgemeester en wethouders hebben zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat ten behoeve van de overschrijding van de bouwdiepte met toepassing van artikel 21b van de planvoorschriften vrijstelling kan worden verleend. Zij hebben daarbij in aanmerking genomen dat bij hermeting is gebleken dat aan het bepaalde in artikel 21b van de planvoorschriften is voldaan.

2.4. De Afdeling verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders ten onrechte toepassing hebben gegeven aan de vrijstellingsbepaling, die is opgenomen in artikel 21b van de planvoorschriften.

2.4.1. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat onder open erf en/of tuin in de zin van artikel 21b, onderdeel 3, van de planvoorschriften moet worden verstaan de planologisch voorgeschreven overblijvende open ruimte in aansluiting op de woninguitbreiding.

2.4.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het resterende deel van de (achter)tuin en/of het open erf niet de ingevolge artikel 21b van de planvoorschriften vereiste 40 m2 bedraagt. De brandgang, die is gelegen achter de (achter)tuin van appellant, en de afscheiding tussen de tuin en deze brandgang dienen buiten beschouwing te blijven bij het vaststellen van de overblijvende open ruimte. De brandgang noch de afscheiding kunnen immers worden aangemerkt als een deel van de overblijvende open ruimte in aansluiting op de woninguitbreiding. Uit de bouwtekening, die appellant op 6 oktober 1999 tezamen met de bouwaanvraag bij burgemeester en wethouders heeft ingediend, blijkt dat het resterende deel van de (achter)tuin en/of het open erf 39,59 m2 bedraagt en niet de vereiste 40 m2. Anders dan appellant heeft betoogd kan niet worden staande gehouden dat uit metingen die op 4 juli 2000 door een medewerker van het kadaster zijn verricht, is gebleken dat een oppervlakte van 43,91 m2 aan open ruimte resteert. Bij die metingen is immers ten onrechte een gedeelte van de brandgang en de afscheiding tussen de tuin en de brandgang mede in aanmerking genomen. Indien dit buiten beschouwing wordt gelaten, resteert een open ruimte van minder dan 40 m2.

2.5. Ingevolge artikel 21, aanhef en onder d en e, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders onder door hen te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van de in de bebouwingsvoorschriften gegeven maten en percentages met ten hoogste 10% en de op de kaart aangegeven bebouwingspercentages met ten hoogste 15%. Dit kan appellant niet baten, reeds omdat het hier niet gaat om in de bebouwingsvoorschriften gegeven maten noch om het bebouwingspercentage in de zin van de ontheffingsbepaling. Ook hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd, treft geen doel.

2.6. De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zelf in de zaak te voorzien en heeft daarbij bepaald dat de bezwaren van appellant alsnog ongegrond dienen te worden verklaard.

2.6.1. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen sprake van een situatie waarin rechtens nog maar één besluit mogelijk was, namelijk dat burgemeester en wethouders op basis van het ingediende bouwplan geen andere beslissing konden nemen dan het weigeren van de bouwvergunning. Burgemeester en wethouders kunnen bij de beslissing op bezwaar (in het kader van de volledige heroverweging) immers alsnog besluiten om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) (zoals deze luidde ten tijde van de bouwaanvraag van 6 oktober 1999) vrijstelling te verlenen ten behoeve van het realiseren van de uitbouw. In de bezwaarfase kan nog een anticipatiebasis worden gecreëerd, om de anticipatieprocedure te kunnen volgen. Ten tijde van het nemen van de (nieuwe) beslissing op bezwaar moet immers zijn voldaan aan de vereisten van artikel 19 WRO.

2.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep in zoverre gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij het aangewezen heeft geacht om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de bezwaren gericht tegen het primaire besluit alsnog ongegrond dienen te worden verklaard, dient te worden vernietigd. Burgemeester en wethouders zullen een nieuw besluit dienen te nemen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond, voor zover dat ziet op het

toepassen van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet

bestuursrecht;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van

7 augustus 2000, voor zover met toepassing van artikel 8:72, vierde

lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak is voorzien en

is bepaald dat de bezwaren gericht tegen het besluit van 9 februari

2000 alsnog ongegrond dienen te worden verklaard;

III. gelast dat de gemeente Breda aan appellant het door hem voor de

behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (totaal

315,--) vergoedt.

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2001

224.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,