Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD7849

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2001
Datum publicatie
08-01-2002
Zaaknummer
200100120/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200100120/1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 29 november 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (hierna: burgemeester en wethouders) aan Vitro Centre International B.V. (hierna: VCI) bouwvergunning verleend voor de oprichting van een produktiekas en een bedrijfsgebouw op het perceel aan de Middenweg tussen de nrs. 591a en 593 te Heerhugowaard, kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard, sectie S, nr. 931 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 november 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 2 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 5 juli 2001 heeft VCI een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2001, waar appellanten [appellant] en [mede-appellant], bijgestaan door […], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E.W. Bruijns en A. Kögeler, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Verder is gehoord VCI, vertegenwoordigd door mr. S. Hartog.

2. Overwegingen

2.1. VCI heeft aangevoerd dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het hoger beroepschrift niet gemotiveerd is.

In het hoger beroepschrift wordt verwezen naar de gronden die zijn aangevoerd in het bezwaar- en beroepschrift. Nu deze voldoende kenbaar zijn, is het hoger beroep ontvankelijk.

2.2. Ter zitting is gebleken dat niet meer in geschil is dat het bouwplan geheel is gelegen in het als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1962".

2.3. Voor het perceel geldt ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden A". Ten tijde van de aanvraag was ter plaatse een voorbereidingsbesluit, als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht. Op 15 februari 2000 is het ontwerp-bestemmingsplan "Buitengebied 1998" ter inzage gelegd. In dit plan is aan het perceel de bestemming "Glastuinbouwbedrijven II" toegekend

Burgemeester en wethouders hebben teneinde de bouwvergunning te kunnen verlenen toepassing gegeven aan artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, na van gedeputeerde staten de ingevolge deze bepaling vereiste verklaring van geen bezwaar te hebben ontvangen.

2.4. Het betoog van appellanten dat gelet op de functies en de aard van VCI er geen sprake is van agrarische bedrijfsbebouwing, zodat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan, faalt. VCI houdt zich bezig met het kweken van jong plantmateriaal, bollen en knollen in de onder de kassen gelegen grond en in bakken. Het gaat daarbij in hoofdzaak om sierteeltgewassen. In de kassen zal in een beperkt deel een laboratorium ten behoeve van veredeling en een genenbank worden gevestigd alsmede een kantoor en een expeditie. De president heeft terecht overwogen dat VCI een bedrijf is dat gericht is op de voortbrenging van agrarische produkten en derhalve kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf.

2.5. Appellanten betogen verder dat de bestemming "Agrarische doeleinden A" niet de mogelijkheid biedt om kassen op te richten. Volgens appellanten is de bouw van kassen slechts toegestaan op gronden waarop de bestemming "Agrarische doeleinden I" rust, omdat dat voor die gronden uitdrukkelijk is bepaald. Ook dit betoog faalt. Ingevolge de bestemming als bedoeld in paragraaf 3 van de planvoorschriften "Agrarische doeleinden A" lid 1 sub c, mogen op als zodanig bestemde gronden, voor zover hier van belang, worden opgericht de voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf nodige bedrijfsgebouwen. In het derde lid is bepaald dat burgemeester en wethouders in afwijking van het bepaalde in het eerste lid - gehoord de Commissie voor de Gemeentelijke Plannen van de Provinciale Planologische Dienst in Noordholland - bevoegd zijn toe te staan, dat op intensieve tuinbouwbedrijven één agrarische nevenwoning wordt opgericht, mits het bedrijf langs de weg waaraan zal worden gebouwd, gemeten in de voorgevelrooilijn een breedte heeft van tenminste 75 m en een oppervlakte van tenminste 1 ha. Hieruit moet worden afgeleid dat de planwetgever heeft beoogd onder de bestemming "Agrarische Doeleinden A" mede intensieve tuinbouwbedrijven te begrijpen. Nu ten behoeve van intensieve tuinbouwbedrijven onder meer gebruik wordt gemaakt van kassen, moet - op andere grond dan de president aan zijn uitspraak ten grondslag heeft gelegd -worden geoordeeld dat in dit verband onder bedrijfsgebouwen ook kassen moeten worden begrepen, zodat op gronden met de bestemming als hiervoor bedoeld, kassenbouw is toegestaan.

2.6. Gelet op het voorgaande heeft de president terecht geoordeeld dat er geen grond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet was om de gevraagde vergunning te weigeren. Burgemeester en wethouders waren voorts bevoegd toepassing te geven aan artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, nu het bouwplan met het nieuwe bestemmingsplan in overeenstemming is. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat zij van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik hebben kunnen maken.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2001

58-365.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,