Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD7668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
03-01-2002
Zaaknummer
200103794/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200103794/1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant 1], wonend te [woonplaats 1],

2. [appellant 2], wonend te [woonplaats 2],

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2001 hebben verweerders van appellant [appellant 2] voor een periode van tien jaren gevorderd het gebruik van de woning [adres], de daarbij behorende zolderruimte en de daarbij behorende gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 12 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2001, en appellant sub 2 bij brief van 24 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 10 september 2001 hebben appellanten een nadere reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2001, waar appellanten in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning. Op grond van het tweede lid van dit artikel is het verboden een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Huisvestingswet kunnen burgemeester en wethouders, indien dat voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, van de eigenaar van een in de gemeente aanwezige leegstaande woonruimte, een leegstaand gebouw, niet zijnde een of meer woonruimten, of een leegstaand gedeelte van zodanig gebouw, dan wel van een woonruimte die in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zonder huisvestingsvergunning of vergunning ingevolge artikel 30 in gebruik genomen is, het gebruik daarvan als woonruimte vorderen. De vordering vindt niet plaats dan na overleg met de eigenaar. De vordering kan mede betrekking hebben op het gebruik van de bij de woonruimte of het gebouw behorende of voor de toegang daartoe noodzakelijke ruimten en van de daarbij behorende centrale en nutsvoorzieningen.

2.2. Bij het bestreden besluit hebben verweerders voor een periode van tien jaren gevorderd het gebruik van de woning [adres] te [woonplaats 1], de daarbij behorende zolderruimte en de daarbij behorende gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen. Voorts hebben verweerders bij dit besluit de vorderingsvergoeding vastgesteld op de maximale huur - op basis van 82 punten volgens het waarderingstelsel voor zelfstandige woonruimte als bedoeld in Bijlage I onder A bij het Besluit Huurprijzen Woonruimte - van f 730,89 te verhogen met een bedrag voor watergeld van f 22,55.

2.3. Appellanten stellen zich op het standpunt dat geen sprake is van illegale bewoning van de woning nu appellant [appellant 1] de woning destijds met een woonruimtevergunning in gebruik heeft genomen en deze vergunning nimmer is ingetrokken. Daarnaast hebben appellanten bestreden dat de onderhavige woning een zogenoemde distributiewoning is; naar hun mening moet de maximaal toelaatbare huur op een veel hoger bedrag worden vastgesteld dan verweerders aannemen. Ten slotte hebben zij aangevoerd dat de onderhavige last tot vordering bij beide appellanten op onjuiste wijze te hunner kennis is gebracht.

2.4. Voorop dient te worden gesteld dat blijkens het bepaalde in artikel 7 van de Huisvestingswet de huisvestingsvergunning er toe strekt de woning legaal in gebruik te kunnen nemen. Dit brengt met zich dat de vergunning na die ingebruikname is uitgewerkt in die zin dat deze vergunning na het metterwoon verlaten van de woning niet ten tweede male kan worden gebruikt om de woning weer in gebruik te nemen. Weliswaar is, zoals appellanten hebben betoogd, een aparte regeling in artikel 28 van de huisvestingswet getroffen voor het intrekken van de huisvestingsvergunning, doch deze bepaling treft een voorziening voor de gevallen waarin de vergunning nog niet is uitgewerkt en aanleiding bestaat de vergunning niet te handhaven.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting hebben verweerders zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aan appellant [appellant 1] verleende vergunning zijn werking heeft verloren. Indien een persoon zich laat uitschrijven naar een adres elders mogen verweerders er in beginsel van uitgaan dat deze persoon zich ook daadwerkelijk elders heeft gevestigd en dat daarmee ook de huisvestingsvergunning is vervallen. Indien betrokkene zich op het standpunt stelt dat hij niettemin op dat adres is blijven wonen, is het aan hem om aannemelijk te maken dat van een verhuizing geen sprake is. Appellanten hebben dit niet aannemelijk weten te maken. Daartoe heeft de Afdeling naast de lange duur van de uitschrijving in aanmerking genomen de aanvankelijk - bij een ter zake door de buitendienst van de Stedelijke Woningdienst ingesteld onderzoek - afgelegde verklaring dat appellant [appellant 1] de woning had verlaten en dat hij ook niet op de woning werd aangetroffen alsmede de wisselende redenen die voor zijn verblijf elders zijn opgegeven. Dat er sprake is geweest van een noodzaak om zich elders in te schrijven in verband met een stage en de tegemoetkoming in de studiekosten daarbij is door appellanten niet aannemelijk gemaakt.

Blijkens de stukken is de woning op 26 september 2000 opgenomen door een ambtenaar van de buitendienst en heeft deze een gedetailleerde puntentelling opgesteld. Nu appellanten niet gemotiveerd hebben aangegeven op welke onderdelen deze telling ondeugdelijk is, ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid daarvan. Overigens blijkt uit de stukken dat verweerders de Huurcommissie in het ressort Amsterdam hebben verzocht om een verklaring als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet op de huurcommissies, doch dat een verklaring betreffende de woningwaardering niet kon worden opgesteld aangezien de verhuurder en de huurder hun medewerking weigerden.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerder de conclusie mogen trekken dat te dezen sprake is van een zonder de daartoe benodigde vergunning in gebruik genomen woning. Nu deze woning niet of niet tijdig was aangemeld, kwam het toewijzingsrecht bij verweerders te liggen. Voor toewijzing kwamen noch [appellant 1], noch [partner appellant 1] in aanmerking, terwijl blijkens de stukken de verhuurder niet bereid was de woning te verhuren aan een door de Stedelijke Woningdienst voor te dragen kandidaat-huurder.

Gegeven de op verweerders rustende taak van bevordering van een doelmatige verdeling van woongelegenheid in hun gemeente, komt de Afdeling tot de slotsom dat niet staande kan worden gehouden dat verweerders bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen.

Wat betreft het bezwaar van appellanten dat het bestreden besluit niet conform de eisen van de (Huisvestings)wet bekend is gemaakt merkt de Afdeling het volgende op. Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand kan worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Aangezien niet gebleken is dat appellanten door het mogelijkerwijs op niet geheel juiste wijze bekend maken van het bestreden besluit in hun beroepsmogelijkheden kunnen zijn beperkt of daardoor anderszins zijn benadeeld, ziet de Afdeling geen aanleiding het bestreden besluit om deze reden niet in stand te laten.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

2.5. De Afdeling acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2001

45.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,