Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD7400

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2001
Datum publicatie
02-01-2002
Zaaknummer
200103667/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

200103667/1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2001

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

1. [appellant 1] en

2. [appellant 2], appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 29 juni 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juli 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief bij de Raad van State binnengekomen op 24 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 augustus 2001 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.2. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van haar artikel 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de president overwogen dat de staatssecretaris niet zorgvuldig heeft gehandeld aangezien er, gelet op de door appellant sub 1 geuite klachten van medische aard, aanleiding was om het nader gehoor te onderbreken en de Medische Dienst in te schakelen. Deze omstandigheid leidde naar het oordeel van de president echter op zichzelf niet alsnog naar het door appellanten beoogde resultaat, aangezien appellant sub 1 de president er niet van heeft kunnen overtuigen dat hij door de handelwijze van de staatssecretaris in zijn belangen is geschaad, nu de extra informatie die appellant sub 1 ter zitting heeft verstrekt niet van dien aard is dat een geheel nieuw licht op zijn asielmotieven wordt geworpen.

2.4. De grieven 1 en 2 strekken er - kort gezegd - toe dat de president in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft aangenomen dat een gebrek in de besluitvorming door de staatssecretaris achteraf bezien geheeld kan worden geacht. Appellanten hebben daartoe verwezen naar een uitspraak van de president van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam van 10 juli 2001, NAV 2001/228, waarin wordt overwogen dat de door de staatssecretaris aan het eind van de eerste fase in het aanmeldcentrum genomen beslissing dat de betreffende vreemdeling nader in het aanmeldcentrum kon worden gehoord, (de zogeheten 'procesbeslissing', als bedoeld in onderdeel C3/12.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000)), niet is aan te merken als een loutere voorbereidingsbeslissing, als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat de opvatting dat de procesbeslissing als zodanig niet zelfstandig aan rechterlijke controle is onderworpen onjuist is.

2.5. Deze grieven kunnen niet slagen. De Afdeling overweegt daartoe als volgt.

2.5.1 In voormeld onderdeel van de Vc 2000 is vermeld dat aan het eind van de eerste fase van de procedure in het aanmeldcentrum wordt beoordeeld, welke zaken zich lenen voor het nader horen in het aanmeldcentrum, de zogeheten procesbeslissing.

2.5.2. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel kan in het kader van de procedure in het aanmeldcentrum worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden. Voordat een aanvraag door de staatssecretaris binnen 48 proces-uren is afgewezen, kan daartoe uitsluitend een voornemen, als bedoeld in artikel 3.117, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit (hierna: Vb 2000) bestaan. De zogeheten procesbeslissing is niet meer dan een interne beslissing om af te zien van het voornemen om de aanvraag binnen 48 proces-uren af te wijzen. Deze beslissing roept voor de aanvrager geen zelfstandig rechtsgevolg in het leven.

2.5.3. Dat de - in artikel 3.111, eerste lid, van het Vb 2000 neergelegde - regel dat een vreemdeling niet eerder dan zes dagen na het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning aan een nader gehoor wordt onderworpen, ingevolge het bepaalde in artikel 3.112, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, niet van toepassing is, indien de staatssecretaris overweegt de aanvraag binnen 48 proces-uren af te wijzen, maakt dit niet anders. Een dergelijk voornemen heeft weliswaar tot gevolg dat de rusttermijn niet van toepassing is, maar is daarop niet gericht. Dat gevolg volgt rechtstreeks uit laatst vermelde bepaling van het Vb 2000.

Gelet op het vorenstaande, is de procesbeslissing een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, noch een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 is.

2.6. Grief 3 richt zich er tegen dat de president het oordeel van de staatssecretaris dat appellant sub 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde vergunning vormen niet rechtens onjuist heeft geacht. Deze grief betreft evenwel geen rechtsvraag die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeft. Hetgeen is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, worden volstaan.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter,

en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb De ambtenaar van Staat is

Voorzitter verhinderd de uitspraak te

ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2001

Verzonden: 4 oktober 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,