Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD7069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
200101730/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor het asiel- en vluchtelingenrecht kunnen (aparte) deskundigheidseisen aan advocaten worden gesteld.

Afwijzing verzoeken om rechtsbijstand door nader aangegeven advocaat ter zake van bezwaarprocedures en verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening naar aanleiding van afgewezen asielaanvragen. De raad heeft kunnen stellen dat art. 13.1.a Wrb in de weg stond aan verlening van de gevraagde toevoegingen. De betrokken advocaat stond niet als advocaat op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht bij de raad ingeschreven en hij voldeed ook niet aan de door de raad op grond van art. 15.1.b Wrb gestelde deskundigheidseisen om alsnog voor zodanige inschrijving in aanmerking te kunnen komen. Voorzover appellanten van mening zijn dat voor het asiel- en vluchtelingenrecht geen (aparte) deskundigheidseisen zouden moeten worden gesteld, wordt overwogen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de raden voor rechtsbijstand een ruime mate van keuzevrijheid te laten om de inschrijvingsvoorwaarden te formuleren. Door op het terrein van het asiel- en vluchtelingenrecht specifieke deskundigheidseisen te stellen heeft de raad de grenzen van die keuzevrijheid niet overschreden.

De raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.

mr. C. de Gooijer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200101730/1.

Datum uitspraak: 28 november 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A en B, verblijvend te C,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 januari 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 29 juni 1999 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: het bureau) verzoeken van appellanten om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 25 oktober 1999 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze besluiten en de adviezen van de commissie voor bezwaar en beroep van 13 oktober 1999, waarnaar in de besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 januari 2001, verzonden op 5 februari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij faxbericht van 7 juni 2001. Deze faxberichten zijn aangehecht.

Bij brief van 3 juli 2001 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2001, waar de raad, vertegenwoordigd door R. van Dijken is verschenen. Appellanten zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand verleend door advocaten die door de raad zijn ingeschreven.

Ingevolge artikel 14 van de Wrb kunnen advocaten op hun verzoek worden ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 van de Wrb bedoelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb kunnen de door de raad te stellen voorwaarden betrekking hebben op de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden.

Ingevolge artikel 16 van de Wrb kan de raad in bijzondere gevallen beslissen dat rechtsbijstand zal worden verleend door een niet ingeschreven advocaat. Als bijzonder geval kan worden aangemerkt:

a. de uitdrukkelijke en gemotiveerde wens van de rechtzoekende, door een bepaalde advocaat te worden bijgestaan;

b. de behoefte aan bijstand door een advocaat die over specifieke deskundigheid op een bepaald rechtsgebied beschikt.

2.2. Appellanten hebben verzocht om toevoegingen af te geven voor het verlenen van rechtsbijstand door mr. J.J. M. Boot, advocaat te Steenbergen, ter zake van bezwaarprocedures en verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening naar aanleiding van afgewezen asielaanvragen.

2.3. De rechtbank heeft in het door appellanten aangevoerde terecht geen grond gevonden voor de conclusie dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb in de weg stond aan verlening van de gevraagde toevoegingen. Mr. J.J.M. Boot stond niet als advocaat op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht bij de raad ingeschreven en hij voldeed ook niet aan de door de raad op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb gestelde deskundigheidseisen om alsnog voor zodanige inschrijving in aanmerking te kunnen komen. Voorzover appellanten van mening zijn dat voor het asiel- en vluchtelingenrecht geen (aparte) deskundigheidseisen zouden moeten worden gesteld, wordt overwogen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de raden voor rechtsbijstand een ruime mate van keuzevrijheid te laten om de inschrijvingsvoorwaarden te formuleren.

Door op het terrein van het asiel- en vluchtelingenrecht specifieke deskundigheidseisen te stellen heeft de raad de grenzen van die keuzevrijheid niet overschreden.

2.4. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat zij het uit financieel en praktisch oogpunt wenselijk achten gebruik te maken van een advocaat te Steenbergen. Dat is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 16 van de Wrb. Ook overigens hebben appellanten hun keuze voor mr. J.J.M. Boot als advocaat niet gemotiveerd. De rechtbank heeft derhalve in het door appellanten aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad in redelijkheid niet heeft kunnen nalaten om toepassing te geven aan artikel 16 van de Wrb.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.

w.g. Gooijer w.g. Muller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001

242-364.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,