Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD6915

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
200102730/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200102730/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "De Vereniging van ondernemingen van betonmortelfabrikanten in Nederland", gevestigd te Driebergen,

appellante,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 13 april 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Leiderdorp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders van Leiderdorp (hierna: burgemeester en wethouders) aan Bouygues Travaux Publics S.A. te Leiderdorp vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een betonmortelcentrale op het werkterrein van het HSL tunnelcomplex aan de Bospolder te Leiderdorp.

Bij besluit van 8 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 22 november 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 april 2001, verzonden op 17 april 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de president) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 augustus 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M. Hoogesteger, advocaat te Rotterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. F. Spijker, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat de president ten onrechte heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders haar terecht niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben aangemerkt bij het besluit van 22 augustus 2000. Zij betoogt dat de president heeft miskend dat zij blijkens haar doelstellingen de belangen van haar individuele leden behartigt. Appellante stelt dat het besluit van 22 augustus 2000 een groot deel van haar leden treft. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat het besluit van 22 augustus 2000 de goede gang van zaken van de betonmortelindustrie treft, hetgeen een belang is dat zij stelt te behartigen.

2.2. Appellante stelt zich blijkens artikel 3 van haar statuten tot doel "het behartigen van de belangen van de leden en het stimuleren van een goede gang van zaken in de betonmortelindustrie in Nederland, waarbij het optimaliseren van de geboden kwaliteit voorop staat".

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 28 februari 2000, gepubliceerd in AB 2000, nr. 188 [redactie: url('AA5092',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=18650), moet het bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb gaan om een aan de statutaire doelstelling ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij dat belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van boven-individuele belangen.

2.2.2. Het besluit van 22 augustus 2000 raakt een deel van de leden van appellante. Aannemelijk is dat het aantal leden dat bij het besluit betrokken kan zijn, groter is dan het aantal leden waar de president in zijn uitspraak vanuit is gegaan. Door het toevoegen van een gecertificeerde hulpstof aan betonmortel kan in beginsel immers een meerderheid van de leden van appellante betonmortel leveren voor het HSL-project in Leiderdorp. De individuele leden van appellante die door het besluit worden getroffen, kunnen daartegen echter zelf in rechte opkomen. Niet kan worden geoordeeld dat het belang waarvoor appellante thans opkomt, trekken vertoont van een collectief, boven-individueel belang. Het door appellante voorts gestelde belang bij naleving van de afspraken die bij de totstandkoming van het Milieubeleidsadvies Betonmortel- en betonproductenindustrie met de betrokken overheidsinstanties zijn gemaakt, maakt appellante nog niet tot rechtstreeks belanghebbende bij het onderhavige besluit van burgemeester en wethouders. Evenmin kan worden geoordeeld dat als gevolg van het besluit de goede gang van zaken in de betonmortelindustrie in Nederland waarbij het optimaliseren van de geboden kwaliteit voorop staat, direct wordt of dreigt te worden aangetast.

2.2.3. Het oordeel van de president dat burgemeester en wethouders het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard, is juist.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001

251.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,