Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD5963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
200103743/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:4
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 1.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/324
AB 2002, 288

Uitspraak

Raad

van State

200103743/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 23 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 juli 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) zijn met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen belast ambtenaren van politie, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993.

Artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt, voorzover thans van belang, dat de Minister individuele aanwijzingen kan geven aan de ambtenaren, als bedoeld in artikel 47, eerste lid.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, voorzover thans van belang, kan de Minister van Justitie (hierna: de Minister), indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, een vreemdeling in bewaring stellen.

Ingevolge artikel 60 van de Vw 2000 worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven omtrent de toepassing van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.

Artikel 1.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (hierna: Vb 2000) bepaalt dat de Minister van zijn bevoegdheden mandaat kan verlenen aan de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee.

Ingevolge artikel 1.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) worden, voorzover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit, de bevoegdheden genoemd in deze regeling uitgeoefend namens de Minister. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden worden de algemene en bijzondere aanwijzingen van de Minister in acht genomen.

Ingevolge artikel 5.3 van het VV 2000 wordt de maatregel, als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000, opgelegd en opgeheven door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, die tevens hulpofficier van justitie is (hierna: hulpofficier).

Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet.

Artikel 10:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, de mandaatverlening de instemming behoeft van de gemandateerde en in het voorkomende geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt.

Ingevolge het tweede lid van artikel 10:4 van de Awb is het eerste lid niet van toepassing, indien bij wettelijk voorschrift in de bevoegdheid tot mandaatverlening is voorzien.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de inbewaringstelling kon worden opgelegd en opgeheven door de hulpofficier. De rechtbank is volgens appellant ten onrechte voorbijgegaan aan zijn betoog dat de mandaatverlening, neergelegd in artikel 5.3 van het VV 2000, van deze bevoegdheid door de Minister aan de hulpofficier in strijd is met de bedoeling van de wetgever, het systeem van de Vw 2000, artikel 1.4 van het Vb 2000 en artikel 10:4 van de Awb.

2.2.1. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Artikel 1.4 van het Vb 2000 laat onverlet dat de Minister de uitoefening van zijn bevoegdheid tot inbewaringstelling op de voet van artikel 5.3 van het VV 2000 rechtstreeks aan de hulpofficier kan opdragen. Volgens de Nota van Toelichting (Stb. 2000, 497) stelt artikel 1.4 buiten twijfel dat de Minister van zijn bevoegdheden mandaat kan verlenen aan de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee en dat ingevolge artikel 10:4, tweede lid, van de Awb, daarvoor geen instemmingsvereiste geldt. Uit artikel 1.4, noch de toelichting daarop blijkt dat beoogd is uit te sluiten dat de Minister de uitoefening van zijn bevoegdheden opdraagt aan anderen dan de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee. Voorts vermeldt de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 61) dat de onder de Vreemdelingenwet (oud) bestaande mandaatregelingen met betrekking tot inbewaringstelling van toepassing blijven. In artikel 82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (oud), was de bevoegdheid tot inbewaringstelling gemandateerd aan de ambtenaar, belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier is. Het betoog faalt.

2.3. Appellant betoogt voorts dat, nu de hulpofficier niet ondergeschikt is aan de Minister en artikel 5.3 van het VV 2000 geen wettelijk voorschrift is, de mandaatverlening ingevolge artikel 10:4 van de Awb instemming behoeft van die ambtenaar en van de korpschef en dat daarvan niet is gebleken.

2.3.1. De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de hulpofficier ingevolge artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000 ondergeschikt is aan de Minister, zodat het bepaalde in artikel 10:4, eerste lid, van de Awb niet op hem van toepassing is. Voorzover dat anders is, blijkt uit de uitoefening door de hulpofficier van de bevoegdheid tot inbewaringstelling, onder verantwoordelijkheid van de korpschef, dat beiden met de mandaatverlening instemmen, aldus de Staatssecretaris.

2.3.2. Volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, p. 172) is artikel 10:4, eerste lid, van de Awb van toepassing, indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, dat wil zeggen niet aan hem ondergeschikt is. Van een dergelijke ondergeschiktheid is binnen de gewone ambtelijke verhoudingen sprake, indien de gemandateerde een ambtenaar is in dienst van het mandaatverlenende bestuursorgaan. Voorts is hiervan zeker sprake, indien dat bestuursorgaan de bevoegdheid bezit, zowel algemene, als bijzondere aanwijzingen te geven.

Uit hoofdstuk IV van de Politiewet 1993, dat het gezag en toezicht over de politie regelt, volgt dat de ambtenaren van politie, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van die Wet, niet ondergeschikt zijn aan de Minister. Ook uit artikel 48, tweede lid, van de Vw 2000, dat onder meer bepaalt dat de Minister individuele aanwijzingen kan geven aan de ambtenaar, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Vw 2000, volgt, anders dan de Staatssecretaris betoogt, niet dat die ambtenaren ondergeschikt zijn aan de Minister. Volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 55) is het de bedoeling geweest dat de gezagsrelatie van de verantwoordelijke bewindspersoon tot de met de uitvoering van de Vreemdelingenwet belaste, maar niet onder zijn beheer ressorterende, diensten (regionale politiekorpsen en Koninklijke marechaussee) gehandhaafd blijft en in de wet nader wordt geƫxpliciteerd. De gezagsrelatie tussen de Minister en die ambtenaren heeft vorm gekregen door de Minister de bevoegdheid te verlenen tot het in het kader van de uitvoering van de Vw 2000 geven van individuele aanwijzingen. Van een bevoegdheid van de Minister tot het geven van zowel algemene als bijzondere aanwijzingen is geen sprake. De hulpofficier is dan ook niet ondergeschikt aan de Minister in de zin van artikel 10:4, eerste lid, van de Awb.

2.3.3. Voorts is artikel 5.3 van het VV 2000 geen wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 10:4, tweede lid, van de Awb. Derhalve is ingevolge het eerste lid voor de mandaatverlening van de bevoegdheid tot inbewaringstelling aan de hulpofficier zijn instemming nodig, alsmede die van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt, te weten de korpschef. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 23 700, 1993-1994, nr. 3, p. 172) is te lezen dat voldoening aan de eis van instemming niet aan enige vorm is gebonden. In veel gevallen ligt voorafgaand overleg voor de hand, wat kan uitlopen op schriftelijke instemming, maar van die instemming kan ook blijken uit de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. Het stellen van de eis dat de instemming schriftelijk wordt gegeven lijkt - aldus de Memorie van Toelichting - te zwaar. Zeker indien het gaat om een groot aantal gelijke ambten leidt een dergelijke eis tot onnodige administratieve belasting.

2.3.4. Uit de uitoefening van de bevoegdheid tot inbewaringstelling door de hulpofficier blijkt dat deze instemt met de mandaatverlening. Voorts was de uitoefening van de bevoegdheid tot inbewaringstelling ook reeds onder vigeur van de Vreemdelingenwet (oud) aan de hulpofficier opgedragen en is inbewaringstelling door de hulpofficier van justitie bestendige praktijk, die onder de Vw 2000 wordt voortgezet. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat de korpschef van de mandaatverlening op de hoogte is en hiermee instemt, nu niet is gebleken dat hij daartegen bezwaar heeft. Dit betoog van appellant faalt evenzeer.

2.4. In de tweede grief betoogt appellant dat hij, gelet op paragraaf A5/5.3.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), niet zonder vooraf verkregen toestemming van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) in bewaring had mogen worden gesteld.

2.4.1. Blijkens de stukken heeft appellant, nadat hij tijdens het op 8 juli 2001 te 13.11 uur aangevangen verhoor op grond van artikel 50 van de Vw 2000 te kennen had gegeven dat hij dat wilde, op diezelfde dag om verlening van een verblijfsvergunning asiel verzocht. Vervolgens is hij op 8 juli 2001 om 14.10 uur, zonder vooraf verkregen toestemming van de IND, op de voet van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Het besluit, waarbij de maatregel van bewaring is opgelegd, is diezelfde dag om 15.01 uur per faxbericht aan de IND gezonden. Op 9 juli 2001 om 17.02 uur heeft appellant zijn aanvraag ingetrokken.

2.4.2. Het enkele ontbreken van toestemming vooraf van de IND voor een inbewaringstelling die op zichzelf voldoet aan de daaraan in artikel 59 van de Vw 2000 gestelde vereisten, maakt de daarop aansluitende bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is in dit geval geen sprake. Niet in geschil is dat voor de inbewaringstelling gronden aanwezig waren. Voorts is het tijdsverloop tussen inbewaringstelling en kennisgeving daarvan aan de IND gering en heeft de IND na ontvangst van de kennisgeving geen blijk gegeven van bezwaren tegen de inbewaringstelling. Ten slotte is appellant, tengevolge van de intrekking van zijn aanvraag, reeds op 9 juli 2001 opgehouden te behoren tot de categorie vreemdelingen als bedoeld in paragraaf A5/5.3.3.5 van de Vc 2000. Ook deze grief faalt derhalve.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2001

273-382.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,