Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD5956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
200104254/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/322

Uitspraak

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

200104254/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2001

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 20 augustus 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 augustus 2001, verzonden op 23 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De eerste grief betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling, in dit geval niet kon worden afgewacht en dat de uitzondering, als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) van toepassing is. De rechtbank heeft miskend dat slechts onder bijzondere omstandigheden het gehoor na de tenuitvoerlegging van de bewaring mag plaatsvinden, aldus appellant.

2.2. Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, van het Vb 2000 wordt een vreemdeling, voordat hij op grond van artikel 59 van de Wet in bewaring wordt gesteld, gehoord.

In het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is, indien het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.

Ingevolge het derde lid - voorzover thans van belang - wordt in het geval bedoeld in het tweede lid, onder b, de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.

2.2.1. In paragraaf A5/5.3.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) wordt het volgende vermeld:

"Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in bewaring gesteld wordt, gehoord wordt. Het kan voorkomen dat het gehoor na de inbewaringstelling plaatsvindt. Dit geval kan zich bijvoorbeeld voordoen als de vreemdeling aansluitend aan een ontslag uit strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld is en vervolgens voor het gehoor overgebracht wordt naar het politiebureau. (...). Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door degene die bevoegd is tot het geven van een besluit tot inbewaringstelling."

2.3. Appellant is aansluitend aan zijn ontslag uit strafrechtelijke detentie op 2 augustus 2001 in bewaring gesteld. Nu zich in dit geval een situatie voordeed, als bedoeld in voormelde paragraaf van de Vc 2000, en op het moment van beƫindiging van de strafrechtelijke detentie geen tot het afnemen van een aan de inbewaringstelling voorafgaand gehoor bevoegde ambtenaar aanwezig was, heeft de Staatssecretaris aan voormelde wettelijke bepalingen geen onjuiste toepassing gegeven door zich op het standpunt te stellen, dat het voorafgaand gehoor van appellant niet kon worden afgewacht. Dat appellant tijdens zijn detentie door medewerkers van de vreemdelingendienst in het Huis van Bewaring is verhoord, brengt niet met zich dat de Staatssecretaris gehouden was appellant, na beƫindiging van die detentie en voorafgaand aan het vervoer naar het politiebureau, eveneens in het Huis van Bewaring te horen, alvorens hem in bewaring te stellen. Nu na aankomst op het politiebureau een daartoe bevoegde ambtenaar appellant zo spoedig mogelijk heeft gehoord, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de bewaring in zoverre onrechtmatig is. De eerste grief faalt.

2.4. De tweede grief betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Staatssecretaris de uitzetting van appellant niet met voldoende voortvarendheid ter hand heeft genomen.

2.5. Gebleken is dat appellant ter zake van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Van dat vonnis heeft hij op 30 maart 2001 hoger beroep ingesteld.

2.6. Nu appellant nog niet onherroepelijk was veroordeeld, was de datum van zijn ontslag uit detentie ongewis. In die situatie kon van de Staatssecretaris niet worden gevergd dat de voorbereiding van de uitzetting zo werd ingericht, dat, voorzover appellant zulks betoogt, de vreemdelingenbewaring dientengevolge achterwege kon blijven. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de Staatssecretaris onvoldoende voortvarend te werk is gegaan, als door appellant gesteld. De tweede grief faalt evenzeer.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene, is het hoger beroep kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2001

Verzonden: 5 oktober 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,