Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD5241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
200002678/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200002678/1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Dorpsraad Glanerbrug, gevestigd te Glanerbrug,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Burgemeester en wethouders van Enschede hebben bij besluit van 14 december 1999 het uitwerkingsplan "bestemmingsplan De Eschmarke, nadere uitwerking Oikos fase 2", vastgesteld.

Aangezien verweerders niet binnen de ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn een besluit omtrent de goedkeuring van dit plan dan wel een besluit tot verdaging van het te nemen besluit aan burgemeester en wethouders schriftelijk bekend hebben gemaakt, wordt het uitwerkingsplan op grond van artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht op 9 maart 2000 van rechtswege te zijn goedgekeurd.

Tegen deze goedkeuring van rechtswege heeft appellante bij brief van 29 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 28 juni 2000, 16 augustus 2000 en 18 april 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben verweerders geen verweerschrift uitgebracht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 mei 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2001, waar appellante vertegenwoordigd door B.W.J.M. Klatt, Th.A. Kok, W.H. Arends, en verweerders, vertegenwoordigd door T. Drint, zijn verschenen.

Voorts zijn daar namens de gemeenteraad van Enschede H.J. Wessels, C.D. Dingemanse en ir. L.P.J. Mosch gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447). Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het uitwerkingsplan is gebaseerd op het bepaalde in artikel 17, lid A, onder 1, sub b, in samenhang het bepaalde in artikel 17, lid B, onder 3, sub p, van het bestemmingsplan "De Eschmarke". Met het uitwerkingsplan wordt onder meer beoogd de aanleg mogelijk te maken van een deel van een tracé voor een zogenoemde lijn voor hoogwaardig openbaar vervoer (hierna te noemen: HOV).

2.3. Appellante heeft er bezwaar tegen dat het gemeentebestuur van Enschede het HOV-tracé in meer dan één plan uitwerkt. Voorts maakt zij bezwaar tegen het tracé voor de HOV-lijn dat in het plan is vastgelegd, omdat daarmee ook het vervolg van het tracé door de kern Glanerbrug vastligt. Voor de aansluiting op het bestaande wegennet van het HOV-tracé dat in het uitwerkingsplan is vastgelegd, moeten buiten het plangebied twee bruggen over de Glanerbeek worden aangelegd; de ter plaatse aanwezige natuurwaarden zullen daardoor worden geschaad. Het tracé zal voorts een particuliere tuin en een parkje ten noorden van het plangebied doorsnijden en de privacy van omwonenden aantasten. Voorts zal de aansluiting van het tracé op de Ouverturestraat niet zonder verkeersveiligheidsrisico's zijn voor kinderen die gebruik maken van de Ouverturestraat om aldaar gelegen scholen te bezoeken.

2.4. Op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening hebben de gemeenteraad of burgemeester en wethouders de plicht volgens de bij het plan te geven uitwerkingsregels het plan uit te werken. Gesteld noch gebleken is dat het uitwerkingsplan niet conform de uitwerkingsregels is vastgesteld.

2.5. Aangaande het bezwaar van appellante dat burgemeester en wethouders het HOV-tracé in meer dan één plan uitwerken is de Afdeling van oordeel dat noch in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enige andere wet, een bepaling valt aan te wijzen die eraan in de weg staat meerdere uitwerkingsplannen in procedure te brengen voor een gebied waarop een uit te werken bestemming van toepassing is. De Afdeling ziet in dit geval ook geen aanleiding te oordelen dat in strijd met enig rechtsbeginsel is gehandeld.

2.6. Om het tracédeel dat in het uitwerkingsplan is vastgelegd te kunnen laten aansluiten op het bestaande wegennet moeten buiten het plangebied over de Glanerbeek twee bruggen worden gerealiseerd. Appellante heeft erop gewezen dat de oevers van genoemde beek fungeren als leef- en broedplaats van de ijsvogel en de grote gele kwikstaart. Uit het verhandelde ter zitting is echter niet aannemelijk geworden dat de kruising van het tracé met de Glanerbeek een ernstige aantasting van genoemde natuurwaarden tot gevolg zal hebben.

2.7. Na de noordoostelijke kruising van het tracé met de Glanerbeek zal het voorkeurstracé van de gemeente een parkje en een deel van een particuliere tuin doorsnijden en vervolgens aansluiten op de Ouverturestraat. Daartoe zullen blijkens het deskundigenbericht aan de oostzijde van het vervolgtracé bomen gekapt moeten worden. De beboste tuin vormt blijkens het deskundigenbericht een aantrekkelijke aankleding van het parkje en van de Ouverturestraat. De aanleg van het voorkeurstracé zal blijkens het deskundigenbericht afbreuk doen aan de recreatieve functie van het parkje.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting en het deskundigenbericht, is de Afdeling van oordeel dat aan het kappen van bomen in de particuliere tuin en het parkje geen zwaarwegende nadelen zijn verbonden. De Afdeling gaat er daarbij vanuit dat, zoals ter zitting van de zijde van de gemeente is toegelicht, de breedte van het desbetreffende tracédeel maximaal zeven meter zal bedragen.

Het hiervoor bedoelde vervolgtracé grenst aan de westzijde aan de achtertuinen van de woningen Melodiestraat 1 tot en met 15. Vanuit deze woningen bestaat thans zicht op de bomen van het hiervoor genoemde parkje en van de privétuin. Mede gelet op het deskundigenverslag is de Afdeling van oordeel dat de privacybeleving van de bewoners van de woningen Melodiestraat 1 tot en met 15 aanzienlijk zal veranderen. Mede gelet op de diepte van de achtertuinen is de Afdeling evenwel van oordeel dat het tracédeel dat buiten het plan is voorzien tussen de Glanerbeek en de Ouverturestraat geen ernstige aantasting van de privacy van genoemde bewoners tot gevolg zal hebben.

2.8. Het voorkeurstracé van de gemeente zal via een zogenoemde T-splitsing aansluiten op de Ouverturestraat. Uit het deskundigenverslag blijkt dat deze weg onder meer een belangrijke functie heeft voor de ontsluiting van enkele scholen. Uit het verslag blijkt voorts dat ter plaatse van het aansluitpunt voldoende ruimte is voor een uit verkeersveiligheidsoogpunt aanvaardbare inrichting van de T-kruising. Gelet hierop kan de Afdeling de vrees van appellante voor het ontstaan van verkeersonveilige situaties op de Ouverturestraat niet delen.

2.9. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het uitwerkingsplan, hoewel in overeenstemming met de uitwerkingsregels, niet alsnog in strijd met een goede ruimtelijke ordening behoefde te worden geacht dan wel anderszins in strijd is met het recht. De goedkeuring van het plan is derhalve rechtmatig. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.O. van der Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Van der Loo

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001

223-381.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,