Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD5239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
200003910/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200003910/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 28 juni 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders Nieuwegein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 1997 hebben burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: burgemeester en wethouders) een verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 17 februari 1998 hebben zij het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 juni 2000, verzonden op 6 juli 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 30 oktober 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C. van der Mark, advocaat te Nieuwegein, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. I.M. Harms, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 24 januari 1995 hebben burgemeester en wethouders appellant onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven het gebruik van het pand [adres] te [woonplaats] als restaurant te beëindigen. Bij besluit van 2 mei 1995 hebben zij de hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 februari 1996 heeft de rechtbank het hiertegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit wegens motiveringsgebrek vernietigd. Nadat de Afdeling bij uitspraak van 5 december 1996 de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden had bevestigd, hebben burgemeester en wethouders op 14 april 1998 hun besluit van 24 januari 1995 herroepen.

Op 13 juni 1997 heeft appellant een verzoek ingediend om vergoeding van schade, naar gesteld bestaande uit verlies van omzet en daarmee gederfde winst over de jaren 1994 tot en met 1997 van het door hem in voornoemd pand geëxploiteerde restaurant en kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarprocedure en in de beroeps- en hoger-beroepsprocedure over voormelde aanschrijving.

2.2. Burgemeester en wethouders hebben zich in het besluit van 17 februari 1998 met betrekking tot het gestelde omzetverlies en de gestelde winstderving op het standpunt gesteld dat - kort weergegeven - appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan sprake is geweest en dat, zo dit wel het geval zou zijn geweest, dit niet aan hun, niet geëffectueerde, besluitvorming kan worden toegerekend. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde omzetverlies in een zodanig verband staat met de aanschrijving, dat dit aan burgemeester en wethouders kan worden toegerekend. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het omzetverlies het gevolg is van de negatieve publiciteit over het door hem geëxploiteerde restaurant die op haar beurt weer moet worden toegeschreven aan de aanschrijving.

2.3. Appellant heeft de gederfde winst begroot op ƒ 210.969,00. Hij heeft ter toelichting onder meer een door Auxilium Adviesgroep opgestelde berekening van 12 november 1997 overgelegd. Hierin is uitgegaan van een normatieve jaarlijkse omzet van ƒ 200.000,00 en een normatieve jaarlijkse winst van ƒ 52.000,00, die vervolgens is afgezet tegen de daadwerkelijk in de jaren 1994 tot en met 1997 behaalde omzet en winst. Het verschil is volgens appellant het gevolg van de negatieve publiciteit.

Burgemeester en wethouders hebben in hun besluit van 17 februari 1998 overwogen dat uit de door appellant overgelegde stukken niet kan worden afgeleid waarop de normatieve jaarlijkse omzet is gebaseerd en dat daaruit evenmin blijkt dat bij de vaststelling van de normatieve jaarlijkse omzet rekening is gehouden met aanloopverliezen en de periode die gemoeid is met het verwerven van een marktaandeel. Verder hebben zij overwogen dat bij de gederfde winst een bedrag ter hoogte van ƒ 27.570,00 aan kosten van rechtsbijstand is opgenomen en dat dit een vertekend beeld geeft van het bedrijfsresultaat.

De rechtbank heeft met juistheid geen grond gevonden voor het oordeel dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op grond van deze overwegingen op het standpunt hebben gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van het gestelde omzetverlies en de gestelde gederfde winst. Reeds hierom leidt het betoog van appellant niet tot het daarmee beoogde doel. De Afdeling komt zo aan de causaliteitsvraag niet toe.

2.4. Appellant heeft voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat burgemeester en wethouders het verzoek ook voor zover betreffende de bij hem opgekomen kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand terecht hebben afgewezen.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 april 2000 in zaak nr. 199900334/1, gepubliceerd in AB 2000, 256) hoeven de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure slechts in bijzondere gevallen te worden vergoed. Zo een geval kan zich voordoen, indien burgemeester en wethouders tegen beter weten in een onrechtmatig besluit hebben genomen. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat hier geen sprake is van een zodanig bijzonder geval en dat burgemeester en wethouders dus niet gehouden waren deze kosten te vergoeden.

2.6. Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand in de beroeps- en hoger beroepsprocedure wordt overwogen dat de rechtbank in haar uitspraak van 15 februari 1996 onderscheidenlijk de Afdeling in haar uitspraak van 5 december 1996 burgemeester en wethouders op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht hebben veroordeeld tot vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep, onderscheidenlijk het hoger beroep, heeft gemaakt. Uit de plaats en strekking van die bepaling moet worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2000 in zaak nr. 199900286/1, gepubliceerd in JB 2000, 324) waren burgemeester en wethouders tot een verdere vergoeding van kosten naar aanleiding van een verzoek als hier gedaan niet gehouden. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders het verzoek ook in zoverre hebben mogen afwijzen. Dit betoog faalt derhalve evenzeer.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. H. Bekker, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2001

17-201.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,