Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD4912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2001
Datum publicatie
31-10-2001
Zaaknummer
200103461/1.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/306
RV20010018 met annotatie van Vermeulen B.P. Ben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State 200103461/1.

Datum uitspraak: 11 september 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 5 juli 2001 in het geding tussen:

[aanvrager M] en [aanvrager Z]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 12 juni 2001 heeft appellant aanvragen van [aanvrager M] en [aanvrager Z] (hierna: de moeder onderscheidenlijk de zoon, dan wel de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juli 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat appellant opnieuw op de aanvragen zal beslissen met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2001 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage, en de zoon in persoon, bijgestaan door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

2.1.1. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 85 van de Vw 2000, - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12, 82 en 85 - is te lezen dat deze bepaling zo is geformuleerd, dat zij betrekking heeft op de afzonderlijke grieven. Deze dienen concreet gemotiveerd te zijn en toegesneden op de aangevallen overwegingen of onderdelen. Met de invoering van het grievenstelsel heeft de wetgever aldus uitdrukkelijk beoogd het geschil af te bakenen tot die onderdelen van de uitspraak, waarmee appellant zich niet kan verenigen.

2.1.2. In het hoger-beroepschrift heeft appellant onder III aangevoerd dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard. Hiermee wenst appellant het geschil - naar eigen zeggen - in volle omvang aan de Afdeling voor te leggen. Dit past echter niet in het voormelde grievenstelsel. Het aldus aangevoerde is mitsdien geen grief in de zin van artikel 85 van de Vw 2000 en kan reeds om die reden niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.3. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is.

2.3.1. Appellant heeft als eerste grief naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de dienstweigering van de zoon niet is te herleiden tot de inwilligingsgrond, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Hierbij heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte in aanmerking genomen, dat hij bij de beoordeling van de asielaanvraag had dienen te betrekken de vraag in hoeverre oorlogservaringen en de psychische problemen als gevolg daarvan, beschouwd dienen te worden als ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren om de militaire dienst te vervullen, alsmede de vraag of een vervangende dienstplicht door het vervullen van ongewapende dienst in het leger in dit geval wel als alternatief kon dienen.

2.3.2. Ofschoon de zoon heeft betoogd dat sprake is van een rechtsgrond voor verlening, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit het feitenrelaas van de zoon niet blijkt dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat hij ernstige, onoverkomelijke bezwaren heeft tegen het vervullen van militaire dienstplicht en evenmin dat hij de mogelijkheden van vervangende dienst heeft onderzocht. In hetgeen is aangevoerd heeft appellant onder die omstandigheden geen aanleiding hoeven zien voor het verrichten van nader onderzoek. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat appellant niet zonder nader onderzoek op dit punt de asielaanvraag van de zoon mocht afwijzen. De grief slaagt.

2.4. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

De beoordelingsvrijheid die dit artikel aan appellant laat, is uitgewerkt in onderdeel C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Blijkens het zogenoemde traumatabeleid zal voor toepassing daarvan onder meer aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst. Appellant acht het vereiste causale verband in beginsel aannemelijk, indien de betrokken asielzoeker binnen zes maanden na de traumatiserende gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. Deze termijn van zes maanden vormt een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek.

2.4.1. In grief II heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet, althans niet zonder nader onderzoek, tot het oordeel heeft kunnen komen dat de vreemdelingen niet op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 voor toelating in aanmerking komen. Volgens appellant hebben de vreemdelingen niet aannemelijk gemaakt dat de gebeurtenissen uit 1992-1993, als gevolg waarvan zij thans stellen psychische problemen te ondervinden, aanleiding hebben gevormd voor hun vertrek uit Bosnië.

2.4.2. Gelet op het tijdsverloop tussen de gestelde traumatiserende gebeurtenissen in de oorlogsperiode 1992-1993 en het vertrek uit hun land van herkomst in 2001, alsmede gelet op hetgeen de vreemdelingen ter zake hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat enig causaal verband niet aannemelijk is gemaakt. Met name heeft appellant niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat de gestelde toename van de psychische problemen die hebben geleid tot het vertrek zijn oorzaak vindt in de gebeurtenissen uit 1992-1993 en kunnen aannemen dat veeleer recente gebeurtenissen als de oproepingen voor de zoon voor militaire dienst in 1999, de gezondheidstoestand van de moeder en het moeten ontruimen van hun woning in 2001 aanleiding zijn geweest voor het vertrek. Nu hij het gestelde causaal verband niet ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht, heeft appellant terecht het zogenoemde traumatabeleid niet toepasselijk geacht. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat appellant niet zonder nader onderzoek op dit punt de asielaanvragen van de vreemdelingen mocht afwijzen. Ook deze grief slaagt derhalve.

2.5. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank niet op goede gronden overwogen dat de asielaanvragen zich niet leenden voor de behandeling binnen 48 proces-uren, als bedoeld in artikel 3.117, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep tegen de besluiten van appellant alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 5 juli 2001, in zaaknrs. Awb 01/26091 en 01/26095;

III. verklaart het bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, in die zaken ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2001

273-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,