Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AD3582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2001
Datum publicatie
24-09-2001
Zaaknummer
200004982/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Staatssecretaris OCW is belanghebbende bij sloopvergunning monument.

2. Niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften brengt niet mee dat B&W niet langer bevoegd waren daarop te beslissen.

Vergunning verleend op grond van de Monumentenwet 1988 aan de Stichting Maharishi voor de sloop van het kloostercomplex St. Ludwig te Vlodrop. In beroep is het bezwaarschrift van de Staatssecretaris OCW tegen de sloopvergunning alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Afdeling: De aanwijzing van onroerende monumenten als beschermd monument is een bij de Monumentenwet aan de Staatssecretaris toegekende bevoegdheid. Uit het bestaan van deze bevoegdheid kan - gelet op de aard van die bevoegdheid - worden afgeleid dat het belang van de instandhouding van monumenten een belang is waarvan de behartiging aan de Staatssecretaris is toevertrouwd. Het verlenen van een vergunning in de zin van art. 11 Monumentenwet, op basis waarvan het aangewezen monument geheel of gedeeltelijk kan worden aangetast, raakt in zodanige mate aan dat belang, dat de Staatssecretaris op grond van art. 1:2, tweede lid Awb als belanghebbende moet worden aangemerkt.

Het betoog van de Stichting, dat het primaire besluit formele rechtskracht heeft gekregen, faalt. Vast staat dat het primaire besluit van 22 september 1998 niet in strijd met art. 16, derde en vierde lid Monumentenwet is tot stand gekomen. Een vergunning wordt ingevolge art. 16, vijfde lid Monumentenwet geacht te zijn verleend indien B&W niet binnen de daarvoor in het derde en vierde lid gestelde termijnen op een aanvraag beslissen en niet, zoals de Stichting heeft verondersteld, indien zij niet tijdig beslissen op de tegen een reële vergunningverlening gemaakte bezwaren. Overschrijding van de in art. 7:10, eerste lid Awb gestelde termijn laat onverlet dat B&W op grond van art. 6:20, eerste lid Awb verplicht bleven alsnog een beslissing op bezwaar te nemen.

Gegrond hoger beroep.

Hoger beroep van rechtbank Roermond d.d. 13-09-2000, LJN AA7153 ECLI:NL:RBROE:2000:AA7153

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200004982/1.

Datum uitspraak: 12 september 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. burgemeester en wethouders van Roerdalen,

2. de stichting "Stichting Maharishi European Research University/Maharishi Vedic University", gevestigd te Vlodrop,

3. de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 13 september 2000 in het geding tussen:

1. de gemeente Wassenberg (Duitsland),

2. appellant sub 3,

3. de stichting "Stichting Burgercomité St. Ludwig", gevestigd te Vlodrop,

4. de vereniging "Heemkunde Vereniging Roerstreek", gevestigd te Sint Odiliënberg,

5. de vereniging "Bond Heemschut, Vereniging tot bescherming van cultuurmonumenten in Nederland", gevestigd te Amsterdam,

6. de vereniging "Vereniging tot behoud van het 19de en vroeg 20ste-eeuwse cultuurgoed in Nederland, het Cuypersgenootschap", gevestigd te Ohé en Laak,

eisers

en

appellanten sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 1998 hebben burgemeester en wethouders van Roerdalen (hierna: burgemeester en wethouders) aan de stichting "Stichting Maharishi European Research University/Maharishi Vedic University" (hierna: de Stichting Maharishi) op grond van artikel 11 van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Wet) vergunning onder voorwaarden verleend voor het afbreken van het aan haar in eigendom toebehorende kloostercomplex St. Ludwig te Vlodrop met uitzondering van het bijenhuisje, de kapel, de begraafplaats en het pas gerealiseerde nieuwe gebouw.

Bij besluiten van 10 november 1999 - voorzover hier van belang - hebben burgemeester en wethouders de door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) en eiseressen bij de rechtbank sub 3 tot en met 6 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten en de adviezen van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 25 en 26 oktober 1999, waarnaar in de besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 september 2000, verzonden op 15 september 2000, - voorzover hier van belang - heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het door de Staatssecretaris ingestelde beroep gegrond verklaard, de door hem bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar van de Staatssecretaris niet-ontvankelijk verklaard alsmede de door eiseressen sub 3 tot en met 6 ingestelde beroepen gegrond verklaard en de door hen bestreden besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 20 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2000, de Stichting Maharishi bij brief van 19 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2000, en de Staatssecretaris bij brief van 25 oktober 2000, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De Stichting Maharishi heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 17 november 2000. De Staatssecretaris heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 29 november 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 22 december 2000, 29 december 2000 en 28 januari 2001 hebben eiseressen bij de rechtbank sub 1 en sub 3 tot en met 6 een memorie ingediend. Bij brieven van 21 december 2000 en 19 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders onderscheidenlijk de Staatssecretaris een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Staatssecretaris. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2001, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.W. Geraedts, wethouder, en J.T.A. Wiegant, ambtenaar der gemeente, de Stichting, vertegenwoordigd door mr. J.M.H.F. Teunissen, juridisch adviseur te Bunde, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.J. Blackstone, ambtenaar ten departemente, en M.J. Sypkens Smit, ambtenaar van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, zijn verschenen. Voorts zijn eiseressen bij de rechtbank sub 4 tot en met 6, vertegenwoordigd door drs. J.P.J. van der Haagen en A.A.H. Wolswijk, gemachtigden, en eiseres bij de rechtbank sub 3, vertegenwoordigd door H.L.M. Cox en A.J.H. op de Kamp, gemachtigden, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep van de Staatssecretaris richt zich terecht tegen het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders zijn bezwaar ten onrechte ontvankelijk hebben geacht. De aanwijzing van onroerende monumenten als beschermd monument is een bij de Wet aan de Staatssecretaris toegekende bevoegdheid. Uit het bestaan van deze bevoegdheid kan - gelet op de aard van die bevoegdheid - worden afgeleid dat het belang van de instandhouding van monumenten een belang is waarvan de behartiging aan de Staatssecretaris is toevertrouwd. Het door burgemeester en wethouders verlenen van een vergunning in de zin van artikel 11 van de Wet, op basis waarvan het aangewezen monument geheel of gedeeltelijk kan worden aangetast, raakt in zodanige mate aan dat belang, dat de Staatssecretaris op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) als belanghebbende moet worden aangemerkt. Mitsdien komt hem op grond van de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb het recht toe tot het maken van bezwaar en het instellen van beroep.

Het hoger beroep van de Staatssecretaris is derhalve gegrond en de aangevallen uitspraak moet, voorzover deze op het bij de rechtbank door de Staatssecretaris ingestelde beroep ziet, worden vernietigd.

2.2. Volgens de Stichting Maharishi heeft de rechtbank miskend dat het primaire besluit formele rechtskracht heeft verkregen, aangezien tegen het uitblijven van een beslissing op de gemaakte bezwaren niet tijdig beroep is ingesteld. De stichting heeft bovendien aangevoerd dat burgemeester en wethouders, na het verstrijken van de termijn waarbinnen zij waren gehouden om op de gemaakte bezwaren te beslissen, niet langer bevoegd waren om een beslissing te nemen.

Het betoog faalt. Vast staat dat het primaire besluit van 22 september 1998 niet in strijd met artikel 16, derde en vierde lid, van de Wet tot stand is gekomen. Een vergunning wordt ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Wet geacht te zijn verleend indien burgemeester en wethouders niet binnen de daarvoor in het derde en vierde lid gestelde termijnen op een aanvraag om vergunning beslissen en niet, zoals de Stichting Maharishi heeft verondersteld, indien zij niet tijdig beslissen op de tegen een reële vergunningverlening gemaakte bezwaren. Op het bezwaarschrift had moeten worden beslist binnen de termijn die daarvoor in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb wordt gesteld. Overschrijding van die termijn laat echter onverlet dat burgemeester en wethouders op grond van artikel 6:20, eerste lid, van de Awb verplicht bleven alsnog een beslissing op bezwaar te nemen.

2.3. Burgemeester en wethouders en de Stichting Maharishi hebben betoogd dat de rechtbank, met haar oordeel dat uit de Wet een plicht voortvloeit om voor een beschermd monument in beginsel geen sloopvergunning te verlenen, heeft miskend dat de beslissing over zo'n vergunning op een belangenafweging moet berusten. Volgens hen heeft de rechtbank de gehandhaafde vergunningverlening te vergaand getoetst en is zij voorbijgegaan aan de beleidsvrijheid die burgemeester en wethouders toekomt.

2.3.1. Dat de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot het verlenen van een monumentenvergunning een discretionair karakter niet kan worden ontzegd, doet niet af aan hun verplichting om - de handhaving in bezwaar van - de beslissing om van deze bevoegdheid gebruik te maken deugdelijk te motiveren. In aanmerking genomen dat niet is gebleken dat het kloostercomplex zijn monumentwaardigheid sinds de aanwijzing als bedoeld in artikel 3 van de Wet op 9 oktober 1997 heeft verloren, geeft het gehandhaafde besluit geen toereikend antwoord op de vraag in welke mate burgemeester en wethouders belang hebben gehecht aan het monumentale karakter van het complex noch op de vraag waarom zij de financiële belangen van de Stichting Maharishi zodanig zwaarwegend hebben geacht dat juist de sloop van het complex is aangewezen en niet op een minder ingrijpende wijze aan de wensen van de stichting kan worden tegemoet gekomen.

Burgemeester en wethouders hebben evenmin gemotiveerd waarom zij het namens de Staatssecretaris door de Rijksdienst voor de monumentenzorg uitgebrachte negatieve advies als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wet naast zich neer hebben gelegd. Dit geldt evenzeer voor het eveneens negatieve advies van de monumentencommissie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet, voorzover de commissie daarin heeft uiteengezet dat de monumentale betekenis van het complex de gewenste sloop niet rechtvaardigt.

De door de Stichting Maharishi overgelegde schriftelijke visies van prof. dr. A. van der Woud bieden, anders dan burgemeester en wethouders hebben aangenomen, geen steun voor het standpunt dat de monumentwaardigheid van het kloostercomplex zich niet tegen sloop verzet. Deze visies zien immers op de vraag of het monumentale karakter van het kloostercomplex een aanwijzing als beschermd rijksmonument rechtvaardigt en deze vraag is met de aanwijzing van de Staatssecretaris positief beantwoord. Die aanwijzing is in rechte onaantastbaar geworden, nadat de Stichting Maharishi het beroep bij de rechtbank tegen de handhaving van die aanwijzing na bezwaar heeft ingetrokken.

2.3.2. Overigens heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het kloostercomplex niet in de door de Stichting Maharishi voorgestane zin kan worden beschouwd als een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1, onder e, in samenhang met artikel 18 van de Wet.

2.3.3. De conclusie is dat het in bezwaar gehandhaafde besluit - in strijd met de artikelen 3:46, 3:50 en 7:12 van de Awb - niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft, zij het op deels andere gronden, terecht geoordeeld dat de beslissingen op bezwaar dienen te worden vernietigd. De hoger beroepen van burgemeester en wethouders en de Stichting Maharishi zijn derhalve ongegrond en de aangevallen uitspraak moet, behoudens voorzover deze op het beroep van de Staatssecretaris ziet, met verbetering van gronden worden bevestigd. Op grond van hetgeen in 2.1 is overwogen, moet de aangevallen uitspraak - nu de rechtbank ook het door de Staatssecretaris ingestelde beroep terecht gegrond heeft verklaard en de aan hem gerichte beslissing op bezwaar terecht heeft vernietigd - worden vernietigd, voorzover daarbij het door de Staatssecretaris gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk is verklaard.

2.3.4. Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van burgemeester en wethouders en de Stichting Maharishi bestaat geen aanleiding. Van proceskosten van de Staatssecretaris die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 13 september 2000, 99/1147, 99/1149, 99/1150, 99/1151, 99/1182 en 99/1185 VEROR K1, voorzover daarbij het door de Staatssecretaris gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk is verklaard;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. gelast dat de gemeente Roerdalen aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (ƒ 675,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2001

-282.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,