Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AC3239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
200003241/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200003241/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 mei 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 1998 hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) onder meer het begrenzingenplan Oost-Brabant vastgesteld.

Bij besluit van 3 februari 1999 hebben gedeputeerde staten het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de hoor- en adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 13 januari 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 mei 2000, verzonden op 24 mei 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 september 2000 hebben gedeputeerde staten een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2001, waar gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door E. Ruiseen, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de ten tijde als hier van belang geldende Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling (Stcrt. 1995, 95; hierna: de Rbon) wordt ten behoeve van de realisering van een beheersgebied, een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject een begrenzingenplan vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, onder m, van de Rbon wordt onder reservaatsgebied verstaan een gebied waarbinnen de verwerving van landbouwgronden ten behoeve van de Staat of door een terrein beherende natuurbeschermingsorganisatie als bedoeld in artikel 70a van de Pachtwet, wordt nagestreefd met het oog op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud.

2.2. Bij het begrenzingenplan Oost-Brabant zijn de aan de [A-weg] en [B-weg] gelegen gronden van appellanten, die werken als varkenshouders en akkerbouwers, aangewezen als reservaatsgebied.

2.3. Appellanten hebben in hoger beroep onder meer betoogd dat het oordeel van de rechtbank tegenstrijdig is. Daartoe wijzen zij erop dat de rechtbank enerzijds de aanwijzing door gedeputeerde staten van hun percelen, met als belangrijkste overweging dat het in stand houden en ontwikkelen van gewenste natuurwaarden niet is te combineren met een rendabele agrarische bedrijfsvoering, genoegzaam gemotiveerd acht, terwijl zij anderzijds overweegt dat de enkele aanwijzing tot reservaatsgebied geen verandering brengt in de planologische bestemming van de in geding zijnde percelen. Voorts heeft de rechtbank volgens appellanten ten onrechte aangenomen dat de aanwijzing geen verplichting tot verkoop omvat, nu in de uitvoering van de ecologische hoofdstructuur staat dat het plan over 20 jaar gerealiseerd moet zijn. Appellanten zien wel degelijk nadelige gevolgen voor de toekomst door de vaststelling van het begrenzingenplan; zij zien nu al dat ermee rekening wordt gehouden bij de plannen voor de Reconstructiewet. Ten slotte heeft de rechtbank naar de mening van appellanten ten onrechte geen oordeel gegeven over hun bezwaren met betrekking tot de openbare voorbereidingsprocedure, met name over het feit dat nooit "huiskamergesprekken" zijn gevoerd tussen hen en leden van de klankbordgroep.

2.4. Het betoog van appellanten slaagt niet. Het met de aanwijzing als reservaatsgebied nagestreefde doel te weten het realiseren van een samenhangend stelsel van natuurgebieden, doet er niet aan af dat, zoals gedeputeerde staten meermalen expliciet hebben aangegeven, de betrokken grondeigenaren dan wel pachters niet verplicht zijn hieraan hun medewerking te verlenen. De aanwijzing tot reservaatsgebied heeft slechts tot gevolg dat de overheid door middel van het Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL), verplicht is tot aankoop tegen de agrarische waarde over te gaan, indien de betrokken gronden te koop worden aangeboden. Voorts kunnen in de periode voorafgaand aan de eventuele verkoop ondernemers met het BBL een beheersovereenkomst sluiten, waarin afspraken worden gemaakt over de wijze van beheer van landbouwgronden, ter bescherming van in het gebied aanwezige natuurwaarden. Ook hiertoe zijn zij echter niet verplicht. Totdat appellanten besluiten tot het sluiten van een beheersovereenkomst of tot verkoop van hun gronden is een agrarische bedrijfsvoering derhalve op dezelfde voet mogelijk als voor de vaststelling van het begrenzingenplan. De termijn die de overheid zichzelf heeft gesteld ter realisering van de beoogde doelstelling doet geen afbreuk aan het feit dat verkoop slechts op vrijwillige basis kan geschieden. De door appellanten gesignaleerde tegenstrijdigheid ziet de Afdeling niet.

2.5. Met de gevolgen van de vaststelling van het begrenzingenplan voor de in voorbereiding zijnde Reconstructiewet kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Overigens zal, indien op basis van de Reconstructiewet in het onderhavige gebied varkensvrije zones worden gerealiseerd, dit slechts het mogelijke gevolg hebben dat de hier gevestigde varkenshouders met steun van de overheid het varkensbedrijf elders kunnen voortzetten.

2.6. Ten slotte is niet gebleken dat bij de vaststelling van het voorontwerp-begrenzingenplan is afgeweken van de bepalingen met betrekking tot de openbare voorbereidingsprocedure, zoals die blijken uit paragraaf 2 van de Rbon in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De omstandigheid dat nooit "huiskamergesprekken" zijn gevoerd tussen appellanten en leden van de klankbordgroep heeft gedeputeerde staten niet hoeven leiden tot de conclusie dat sprake is van een onzorgvuldige procedure op grond waarvan de beslissing had moeten worden vernietigd.

2.7. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat gedeputeerde staten bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid meer gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang van natuur- en landschapsbehoud dan aan de belangen waarop door appellanten in dit geding een beroep is gedaan. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. C.A. Terwee-van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Zegveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001

43-306.

Verzonden: 20 februari 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,