Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AC2532

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
200002002/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 292 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200002002/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. appellant], wonend te [woonplaats],

2. burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellante

en

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 9 maart 2000 in het geding tussen:

appellante

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 1998 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) de aan appellante (hierna: [appellant]) verleende standplaatsvergunning voor de verkoop van frites, vis, snacks en ijs op een locatie aan het [straat] te [plaats] met ingang van 1 april 1998 ingetrokken.

Bij besluit van 30 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 24 maart 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij besluit van 22 juni 1999 hebben burgemeester en wethouders [appellant] een vervangende kiosk op het [straat] aangeboden en haar een schadevergoeding van in totaal f 82.400,00 toegekend.

Bij uitspraak van 9 maart 2000, verzonden op 14 maart 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de door [appellant] tegen de besluiten van 30 maart 1999 en 22 juni 1999 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk, respectievelijk gegrond verklaard, laatstgenoemd besluit vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

[redactie: url('AA6444',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=20064)]

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] bij brief van 20 april 2000, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2000, en burgemeester en wethouders bij brief van 25 april 2000, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 20 april 2000 (lees: 23 mei 2000). Burgemeester en wethouders hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 22 augustus 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van respectievelijk 6 juli 2000 en 22 augustus 2000 hebben [appellant] en burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan [appellant] toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2000, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. J.P. van den Berg, advocaat te Den Haag, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.P. Coumou en H. Westra, ambtenaren van de gemeente, bijgestaan door mr. D.H. de Witte, advocaat de Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij haar beroep tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen de intrekking van de standplaatsvergunning niet-ontvankelijk is verklaard.

2.1.1. [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank daarmee heeft miskend dat de brief van 30 maart 1999 een informatief karakter heeft. Volgens [appellant] was van een appellabel besluit met betrekking tot de intrekking van de standplaatsvergunning eerst sprake toen burgemeester en wethouders bij besluit van 22 juni 1999 schadevergoeding toekenden.

2.1.2. Blijkens de aanhef behelst de brief van burgemeester en wethouders van 30 maart 1999 de beslissing op het door [appellant] tegen het intrekkingsbesluit van 27 februari 1998 gemaakte bezwaar. In die brief staat voorts vermeld dat burgemeester en wethouders het intrekkingsbesluit in zoverre herroepen dat zij een hogere financiële compensatie zullen aanbieden dan zij tevoren hadden gedaan. Voorts werd het besluit tot intrekking van de standplaatsvergunning implicite gehandhaafd. De brief behelst derhalve een heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en moet mitsdien worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van die wet.

2.1.3. De ingevolge artikel 6:7 van de Awb geldende termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 30 maart 1999 ving aan op 2 april 1999 en is op 13 mei 1999 geëindigd. Nu [appellant] eerst op 27 mei 1999 beroep heeft ingesteld, heeft zij die termijn overschreden. Anders dan [appellant] heeft betoogd, is het ontbreken van rechtsmiddelenvoorlichting onder het besluit niet voldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn.

2.1.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de brief van 30 maart 1999 op juiste gronden als een besluit in de zin van de Awb heeft aangemerkt en dat zij het daartegen ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het besluit tot intrekking van de standplaatsvergunning is derhalve onherroepelijk. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

2.2. Het hoger beroep van burgemeester en wethouders richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij is geoordeeld dat zij aan het besluit van 22 juni 1999 onvoldoende onderzoek ten grondslag hebben gelegd en dat zij in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een schadevergoeding als in dat besluit is omschreven en gemotiveerd.

2.2.1. Het besluit van 22 juni 1999 strekt tot toekenning van schadevergoeding aan [appellant]. Aangezien daarbij voor de eerste maal schriftelijk over het toekennen van schadevergoeding is beslist, dient dat besluit als een beslissing in primo te worden beschouwd. Het besluit van 30 maart 1999 kan niet als een besluit tot toekenning van schadevergoeding worden aangemerkt, nu daarin geen enkele toezegging is gedaan over de omvang van de schadevergoeding. Dat laatste geldt evenzeer voor het intrekkingsbesluit van 27 februari 1998, waarin burgemeester en wethouders [appellant] in algemene termen hebben verwezen naar de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente om te trachten tot overeenstemming te komen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen het besluit van 22 juni 1999, dan ook ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard als gericht tegen een beslissing in primo.

2.2.2. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van burgemeester en wethouders gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 22 juni 1999 gegrond is verklaard. De Afdeling zal met toepassing van artikel 42 van de Wet op de Raad van State doen, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het door [appellant] bij de rechtbank ingediende beroepschrift naar burgemeester en wethouders doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit van 22 juni 1999.

2.3.1 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

1. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 9 maart 2000, 9916899, voorzover deze betrekking heeft op de gegrondverklaring van het beroep van [appellant] tegen het besluit van 22 juni 1999;

2. bepaalt dat het door [appellant] bij de rechtbank ingediende beroepschrift van 3 augustus 1999 naar burgemeester en wethouders wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit van 22 juni 1999;

3. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; 92!~g dat de gemeente Den Haag aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (f 340,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Frenkel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2001

206.

Verzonden: 8 mei 2001

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,