Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB9457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2001
Datum publicatie
22-08-2001
Zaaknummer
199902205/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

199902205/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap Hyporama Holland B.V., gevestigd te Leidschendam,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 13 augustus 1999 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Divoza Ruitersport B.V. gevestigd te Leek

en

burgemeester en wethouders van Leidschendam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 1998 hebben burgemeester en wethouders van Leidschendarn (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op het verzoek van Divoza Ruitersport B.V. te Leek (hierna: Divoza) om met bestuursdwang op te treden tegen detailhandelsactiviteiten door appellante vanuit de vestiging Hypoplaza op het bedrijventerrein Forepark te Leidschendam.

Bij besluit van 10 augustus 1298 hebben burgemeester en wethouders het. daartegen door Divoza gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehepht.

Bij uitspraak van 13 augustus 1999, verzonden op 13 augustus 1999,.heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door Divoza ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 september 1999, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 oktober 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 december 1999 heeft Divoza een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door R.J. Udo, directeur en mr. H.P.J.G. Berkers, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R. Sakkee, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Divoza, vertegenwoordigd door mr. G.B. de Jong, advocaat te Roden.

2. Overwegingen

2.1. Appellante keert zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat Divoza belang heeft bij toepassing van bestuursdwang.

2.2. Voorzover de rechtbank heeft overwogen dat Divoza als indiener van het verzoek om toepassing van bestuursdwang als belanghebbende kan worden aangemerkt stemt dit niet overeen met artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft evenwel tevens en terecht in aanmerking genomen dat Divoza in dezelfde branche werkzaam is als appellante en het haar bovendien destijds niet is toegestaan in het Forepark een vestiging te openen die voorzag in verkoop aan particulieren. Het betoog dat het belang van Divoza niet rechtstreeks is betrokken bij de weigering tot toepassing van bestuursdwang faalt dan ook.

2.3. in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Forepark" heeft het onderhavige perceel de bestemming "bedrijfsdoeleinden C". Ingevolge artikel 6 in samenhang met artikel 30, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften is het verboden de op gronden met deze bestemming aanwezige bedrijfsgebouwen te gebruiken voor detailhandel.

2.4. Aan de orde is de vraag of burgemeester en wethouders aan de handhaving van het besluit tot weigering van bestuursdwang ten grondslag hebben kunnen leggen dat het door appellante ingevoerde pasjessysteem de detailhandelactiviteiten (nagenoeg) volledig zal opheffen. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord vanwege de omstandigheid dat niet uitsluitend bedrijven en personen die zich bedrijfsmatig met de ruitersport bezighouden in aanmerking komen voor een klantenpas, maar ook ieder ander bedrijf met een inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel. Daardoor is de kans dat anders dan bedrijfsmatig aankopen worden gedaan met gebruikmaking van de klantenpas te zeer aanwezig om te kunnen spreken van het (nagenoeg) uitsluiten van detailhandel.

2.5. Appellante heeft ter zitting erkend dat, anders dan zij in het hoger beroepschrift heeft gesteld, ook bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijven die zich niet bedrijfsmatig met de ruitersport bezighouden in aanmerking komen voor een klantenpas. Appellante heeft evenwel betoogd dat deze bedrijven de artikelen aanschaffen om deze als relatiegeschenk aan te wenden dan wel als sponsor van een ruitersportevenement ter beschikking te stellen. Deze bedrijven zijn, naar appellante meent, in dat geval dan ook niet aan te merken als uiteindelijke verbruikers of gebruikers als bedoeld in de in de planvoorschriften opgenomen begripsomschrijving voor detailhandel, zodat geen sprake is van detailhandel.

2.6. Ook dit betoog faalt. De eindverbruiker of gebruiker is degene die een goed niet doorverkoopt maar aanwendt voor eigen gebruik waaronder tevens valt het aanwenden als geschenk. Ook het aanschaffen van artikelen als relatiegeschenk of voor sponsordoeleinden valt derhalve in het algemeen onder de begripsomschrijving voor detailhandel en moet als detailhandel worden aangemerkt. De Afdeling deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat het door appellante ingevoerde pasjessysteem onvoldoende zekerheid biedt dat geen, althans nagenoeg geen detailhandel plaatsvindt. Daarbij acht zij bovendien van belang dat, naar ter zitting is gebleken, de prijzen van de artikelen in de showroom met inbegrip van de omzetbelasting zijn vermeld.

Het vermelden van prijzen met inbegrip van de omzetbelasting duidt naar het oordeel van de Afdeling op het gericht zijn van de verkoopinspanningen op de eindverbruiker of gebruiker, aangezien deze prijzen uitsluitend voor hen van belang zijn.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-Van Bilderbeek w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2001

32-71.

Verzonden: 16 januari 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,