Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB9072

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2001
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
200004188/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een ontslagbesluit van een lid van de raad van het Regionaal orgaan Amsterdam leent zich, gelijk een ontslagbesluit van een wethouder door de gemeenteraad, niet voor een inhoudelijke toets door de ABRS.

Ontslagverlening met onmiddellijke ingang door raad van de gemeente Zaanstad van appellante als lid namens de gemeente Zaanstad van de raad van het Regionaal orgaan Amsterdam. Aanleiding voor het ontslag was het feit dat appellante, hoewel daartoe in een door de raad aangenomen motie opgeroepen, niet conform het meerderheidsstandpunt van de raad had gestemd inzake een pakket maatregelen ter verbetering van de bereikbaarheid van het Noordelijk deel van de Randstad. Ingevolge art. 25.4 Gemeenschappelijke regeling ROA, kan een gemeenteraad een door hem aangewezen lid tussentijds ontslaan als dit het vertrouwen van de gemeenteraad niet meer bezit. Daarbij wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 49 en 50 Gemeentewet. Deze artt. bevatten regels over ontslag van een wethouder door de gemeenteraad. Deze artikelen noemen geen gronden waarop door de raad het vertrouwen in de betrokken wethouder kan of moet worden opgezegd. Zoals de Raad van State eerder heeft overwogen lenen dergelijke ontslagbesluiten zich, vanwege het politieke karakter ervan, niet voor een inhoudelijke toetsing door de Raad van State, zodat deze zich dient te beperken tot de vraag of het besluit op de juiste wijze totstandgekomen is.

Bij het voorliggende besluit is dat niet anders. Uit de stukken blijkt dat dit procedureel in overeenstemming met de wettelijke regels tot stand gekomen is.

Het betoog van appellante dat het besluit strijdig zou zijn met de Kaderwet bestuur in verandering mist feitelijke grondslag, nu in de Gemeenschappelijke Regeling ROA geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die deze wet biest om de verhouding van leden van de ROA-raad ten opzichte van de gemeenteraden anders te regelen.

Het beroep van appellante bij de rechtbank is derhalve ongegrond.

De raad van de gemeente Zaanstad.

mrs. P.J. Boukema, J.A.M. van Angeren, M.G.J. Parkins-de Vin

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Gemeentewet
Gemeentewet 25
Gemeentewet 49
Gemeentewet 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/233 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200004188/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellante,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 24 juli 2000 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2000 heeft de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) appellante met onmiddellijke ingang ontslag verleend als lid namens de gemeente Zaanstad van de raad van het Regionaal orgaan Amsterdam (hierna: ROA-raad).

Bij uitspraak van 24 juli 2000, verzonden op 25 juli 2000, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de president) het daartegen naar zijn oordeel door de […] (hierna: […]) ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 1 september 2000, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 september 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 februari 2001 heeft de raad van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2001, waar appellante in persoon, bijgestaan door L.C.P. Bertholet, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Barkhuysen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Gelet op het hoger-beroepschrift en het verhandelde ter zitting moet worden vastgesteld dat uitsluitend appellante - en niet de […]- hoger beroep heeft ingesteld.

2.2. Appellante heeft als lid van de politieke partij de […] zitting in de raad. Zij is door hem aangewezen als lid van de ROA-raad. Aanleiding voor haar ontslag uit die functie was het feit dat zij, hoewel daartoe in een door de raad aangenomen motie opgeroepen, niet conform het meerderheidsstandpunt van de raad had gestemd inzake de "werkafspraken samenwerking bereikbaarheid Noordvleugel", een pakket maatregelen ter verbetering van de bereikbaarheid van het Noordelijk deel van de Randstad.

2.3. De president heeft de […] aangemerkt als eiseres. Daartoe heeft hij overwogen dat in de stukken noch in het verhandelde ter zitting aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de [...] heeft bedoeld (mede) namens appellante beroep in te stellen. Hij heeft voorts overwogen dat de [...] geen belanghebbende is bij het ontslagbesluit, aangezien dit gericht is aan en betrekking heeft op appellante zelf.

2.4. Appellante betoogt dat de president heeft miskend dat zij heeft bedoeld voor zichzelf beroep in te stellen.

2.5. Dit betoog treft doel. Hoewel het beroepschrift geen eenduidig antwoord geeft op de vraag wie eisende partij is, volgt de Afdeling de president niet in zijn overweging dat daarin geen enkele steun kan worden gevonden voor het oordeel dat appellante mede als eiseres moet worden beschouwd. Het beroepschrift biedt hiervoor ter dege aanknopingspunten, bij voorbeeld daar waar appellante zichzelf aanduidt als eiseres. Voorts heeft appellante ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zíj belanghebbende is en dat de [...] achter haar staat. Anders dan de president heeft overwogen, laat deze verklaring er geen twijfel over bestaan dat zij bedoeld heeft het beroep (mede) namens zichzelf in te dienen. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarin het beroep van appellante niet is ontvangen en beoordeeld. Met instemming van partijen zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, met toepassing van artikel 45 van de Wet op de Raad van State, zelf op dit beroep beslissen.

2.6. Ingevolge artikel 25, vierde lid, van de Gemeenschappelijke regeling ROA, kan een gemeenteraad een door hem aangewezen lid tussentijds ontslaan als dit het vertrouwen van de gemeenteraad niet meer bezit. Daarbij wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet.

De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet bevatten regels over ontslag van een wethouder door de gemeenteraad. Deze artikelen noemen geen gronden waarop door de raad het vertrouwen in de betrokken wethouder kan of moet worden opgezegd. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, bij voorbeeld in haar uitspraak van 23 juni 1997,

AB 1997, 317, lenen dergelijke ontslagbesluiten zich, vanwege het politieke karakter ervan, niet voor een inhoudelijke toetsing door de Afdeling, zodat deze zich dient te beperken tot de vraag of het besluit op de juiste wijze totstandgekomen is. Bij het voorliggende besluit is dat niet anders. Uit de stukken blijkt dat dit procedureel in overeenstemming met de wettelijke regels tot stand gekomen is. Het betoog van appellante dat het besluit strijdig zou zijn met de Kaderwet bestuur in verandering mist feitelijke grondslag, nu in de Gemeenschappelijke regeling ROA geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die deze wet biedt om de verhouding van leden van de ROA-raad ten opzichte van de gemeenteraden anders te regelen. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel dient de gemeente Zaanstad het door appellante in hoger beroep verschuldigde griffierecht te vergoeden. Gelet op artikel 40, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State, en in aanmerking genomen dat appellante ƒ 675,00 griffierecht heeft betaald, zal de Afdeling de Secretaris van de Raad van State gelasten het recht terug te storten, voor zover dat onverschuldigd is betaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 24 juli 2000,

AWB 00/5236 BESLU H V00 G00 KV, voorzover daarin niet is beslist op het beroep van appellante;

II. verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

III. gelast dat de gemeente Zaanstad aan appellante het door haar in hoger beroep verschuldigde en betaalde griffierecht (ƒ 340,00) vergoedt;

IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State het door appellante teveel betaalde griffierecht (ƒ 335,00) terugstort.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Haverkamp

(bij afwezigheid van ambtenaar van Staat

de Voorzitter)

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2001

306.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,