Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB8216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2001
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
200003351/1.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bouwplan voorziet niet in tweede, maar in éérste agrarische bedrijfswoning. Als gevolg van wijzigingsbesluit ex art. 11 WRO is voormalige agrarische bedrijfswoning bestemd tot burgerwoning en maakt geen deel meer uit van het agrarische bouwperceel.

Weigering verlening bouwvergunning voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel Xa. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan aan verlening van de gevraagde bouwvergunning in de weg staat.

Op de betrokken gronden rust de bestemming “agrarische doeleinden (A)”. In de planvoorschriften is bepaald dat binnen een op de plankaart aangegeven agrarisch bouwperceel slechts bebouwing is toegestaan ten behoeve van één agrarisch bedrijf en is per agrarisch bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan.

Het agrarisch bouwperceel van appellante omvatte voorheen onder meer de gronden waarop de woning X is gevestigd. Deze woning is in 1994 aan een derde (niet agrariër) verkocht en vervult sindsdien geen functie meer als agrarische bedrijfswoning. Bij besluit van 23 januari 1996, goedgekeurd door GS van Zuid-Holland, hebben B&W met gebruikmaking van hun wijzigingsbevoegdheid ex art. 11 WRO de bestemming van de woning X en de daarbij behorende gronden gewijzigd in de bestemmingen “woondoeleinden”, “tuinen” en “erven”. Het wijzigingsbesluit heeft tot gevolg dat de woning X aan de agrarische bestemming is onttrokken en thans geen deel meer uitmaakt van het agrarisch bouwperceel. Het voor 1996 bestaande bouwperceel is hierdoor in omvang afgenomen. Het wijzigingsbesluit heeft verder tot gevolg dat op het betrokken agrarische bouwperceel geen bedrijfswoning meer aanwezig is die voor de toepassing van de planvoorschriften aan het agrarisch bedrijf van appellant toegerekend zou moeten worden. Een andersluidende conclusie van de planwetgever blijkt niet.

Het bouwplan voorziet mitsdien in de bouw van een eerste bedrijfswoning, hetgeen niet in strijd is met het bestemmingsplan.

De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Burgemeester en wethouders van Sassenheim.

mrs. J.A.E. van der Does, C.A. Terwee-van Hilten, P.A. Offers

Wet op de Ruimtelijke Ordening 11

Woningwet 44.c

bestemmingsplan “Landelijk Gebied (zuid)”: gemeente Sassenheim 12.1.a, 12.2, 12.3.a, 12.3.h

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2001-7152, 6 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2001/845
Module Ruimtelijke ordening 2001/2601
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200003351/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 31 mei 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Sassenheim.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders van Sassenheim (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [...…] Xa te B.

Bij besluit van 28 oktober 1998, verzonden op 29 oktober 1998, hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar - met verbetering van de kadastrale aanduiding van het perceel -ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2000, verzonden op 6 juni 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 juli 2000, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ingekomen van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en mr. J. Zandstra, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het bestemmingsplan aan verlening van de gevraagde bouwvergunning in de weg staat.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied (zuid)" rust op de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, de bestemming "agrarische doeleinden (A)".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn deze gronden - voor zover hier van belang - bestemd voor het uitoefenen van agrarische bedrijven voor zover gericht op de bollencultuur, de land- en tuinbouw op open grond en de veehouderij (...). Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden onder meer bedrijfswoningen worden gebouwd. Ingevolge artikel 12, derde lid, onder a, van de planvoorschriften is binnen een op de plankaart aangegeven agrarisch bouwperceel slechts bebouwing toegestaan ten behoeve van één agrarisch bedrijf. Ingevolge het derde lid, onder h, van deze bepaling is per agrarisch bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan.

2.3. Het agrarisch bouwperceel van appellant omvatte voorheen, zo is vast komen te staan, onder meer de gronden waarop de woning […] X te B is gevestigd. Deze woning is in 1994 aan een derde (niet-agrariër) verkocht en vervult sindsdien geen functie meer als agrarische bedrijfswoning. Bij besluit van 23 januari 1996, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit van 22 april 1996, hebben burgemeester en wethouders met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de bestemming van de woning Klinkenberg 14 en de daarbij behorende gronden gewijzigd. Als gevolg van dit wijzigingsbesluit hebben deze woning en daarbij behorende gronden thans de bestemmingen "woondoeleinden", "tuinen" en "erven".

Het wijzigingsbesluit heeft tot gevolg dat de woning […] X aan de agrarische bestemming is onttrokken en thans geen deel meer uitmaakt van het agrarische bouwperceel. Het voor 1996 bestaande bouwperceel is hierdoor in omvang afgenomen. Het wijzigingsbesluit heeft verder tot gevolg dat op het betrokken agrarische bouwperceel geen bedrijfswoning meer aanwezig is die voor de toepassing van de planvoorschriften aan het agrarisch bedrijf van appellant toegerekend zou moeten worden. De toelichting op het bestemmingsplan biedt onvoldoende grond voor een anders luidende conclusie. Voor zover de planwetgever de intentie heeft gehad dat de met gebruikmaking van voormelde wijzigingsbevoegdheid inmiddels tot burgerwoning bestemde voormalige agrarische bedrijfswoning betrokken dient te worden bij de beantwoording van de vraag of op het perceel reeds een bedrijfswoning aanwezig is, heeft hij dit niet in de planvoorschriften verwerkt.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bouwplan voorziet in de bouw van een eerste bedrijfswoning, hetgeen niet in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het beroep van burgemeester en wethouders op de dubbeltelbepaling kan niet leiden tot een ander oordeel. Als gevolg van het door hen genomen wijzigingsbesluit is de woning […] X onttrokken aan de agrarische bestemming en bestemd als burgerwoning. Voor zover bij het verlenen van de bouwvergunning voor deze woning ingevolge het destijds geldende uitbreidingsplan gronden in aanmerking zijn genomen, kunnen deze na de wijziging van het bestemmingsplan niet meer worden toegerekend aan het overgebleven agrarisch bouwperceel, zodat zij bij de onderhavige bouwaanvraag geen - beperkende - rol meer kunnen spelen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Burgemeester en wethouders dienen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

2.5. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 31 mei 2000, AWB 98/9212 WW 44;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Sassenheim van 28 oktober 1998, 2594;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van Sassenheim in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 2893,00, waarvan een gedeelte groot ƒ 2840,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Sassenheim te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Sassenheim aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (totaal ƒ 565,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2001

251.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,