Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB6610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2001
Datum publicatie
20-08-2001
Zaaknummer
200100072/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200100072/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Maastricht

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 1999, bekendgemaakt op 7 april 1999, hebben burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: burgemeester en wethouders) op de voet van artikel 2.4.11, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van hun gemeente het gedeelte van de oostzijde van de Parallelweg, Stationsplein en Spoorweglaan, gelegen aan de voorzijde van het Centraal Station, alsmede de zuidzijde van de Markt gelegen tussen de Grote Gracht en de Hoenderstraat, aangewezen als gebieden, waar het ter voorkoming van overlast dan wel in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente verboden is op of aan de weg fietsen en/of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimtes te plaatsen of te laten staan.

Bij besluit van 8 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 oktober 2000, waarvan een verbeterde versie op 14 december 2000 aan appellant is toegezonden, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 februari 2000 vernietigd en appellant in zijn bezwaren tegen het besluit van 30 maart 1999 niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De uitspraak van de rechtbank is aangehecht.

Tegen de op 14 december 2000 verzonden uitspraak heeft appellant bij brief van 27 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

Bij brief van 20 maart 2001 heeft appellant een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2001, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. L. Bindels, ambtenaar der gemeente, is verschenen. Appellant is met kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het verkeersbesluit van 30 maart 1999. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij frequent zijn fiets stalt op de stoepen van de zuidzijde van de Markt en dat hij een dergelijk stallingsverbod pas zinvol acht indien de gemeente ervoor zorgt dat voldoende geschikte stallingsplaatsen worden ingericht. Naar de mening van appellant schenden niet de gestalde fietsen doch de geparkeerde auto's de fraaie aanblik van het pas gerestaureerde stadhuis.

2.3. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de door appellant genoemde jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 1998, inzake H01.97.0795 (AB 1998/332), met juistheid overwogen dat het belang van appellant bij het besluit van 30 maart 1999 zich niet zodanig van dat van andere weggebruikers onderscheidt dat daarvan gezegd kan worden dat dit een belang is dat duidelijk kenmerkend is voor appellant en hem duidelijk op een bijzondere, hem van de andere in hun belangen getroffenen onderscheidende wijze treft.

Met recht heeft de rechtbank overwogen dat appellant om die reden niet een rechtstreeks persoonlijk belang heeft bij het besluit van 30 maart 1999 en appellant daarom ten aanzien daarvan niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.R. Bakker, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Bakker w.g. De Koning

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2001

221-97.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,