Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB3357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2001
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
200003632/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200003632/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rowijck Vastgoed B.V.", gevestigd te Helvoirt,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 23 juni 2000 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 september 1998 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) een verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 1999 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 juni 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

[redactie: url('AA6454',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=20077)

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 31 juli 2000, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 september 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 november 2000 heeft de Staatssecretaris een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn in afschrift aan de Staatssecretaris toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 20 februari 2001, waar partijen niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Stichting Wijckerstaete (hierna: Wijckerstaete) heeft tot 30 september 1994 van de Staatssecretaris subsidie ontvangen op de voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975.

Op 1 december 1994 is Wijckerstaete ontbonden. Appellante is bij de liquidatie als vereffenaar opgetreden.

Bij besluit van 4 maart 1997, kenmerk BVH.97517902, gecorrigeerd bij vaststellingsbesluiten van 28 maart 1997, heeft de Staatssecretaris de aan Wijckerstaete verleende subsidie gedeeltelijk teruggevorderd. De besluiten zijn gericht tot Wijckerstaete, p/a Rowijck Vastgoed B.V., Alexander Battalaan 46, 6221 CE Maastricht, omdat dat voor de Staatssecretaris het laatst bekende adres van Wijckerstaete was.

2.2. Bij besluit van 28 januari 1998 heeft de Staatssecretaris het door appellante tegen de terugvordering gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet als belanghebbende is aan te merken, aangezien de terugvordering Wijckerstaete betreft.

In geschil is de weigering van de Staatssecretaris de door appellante in die bezwaarschriftprocedure gemaakte kosten te vergoeden.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de Staatssecretaris met het besluit de subsidie van Wijckerstaete terug te vorderen zodanig ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dat dat besluit tegen beter weten in is genomen. Dat betekent volgens de rechtbank echter nog niet dat de Staatssecretaris jegens appellante onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien ten opzichte van haar geen publiekrechtelijk rechtsgevolg in het leven is geroepen dan wel beoogd. Op die grond acht de rechtbank de Staatssecretaris niet gehouden de kosten te vergoeden die appellante in de bezwaarschriftprocedure heeft gemaakt.

2.4. Appellante heeft kort samengevat betoogd dat de rechtbank daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd alsmede dat de rechtbank heeft miskend dat causaal verband bestaat tussen de naar de mening van appellante onrechtmatige terugvordering en de gestelde schade.

2.5. Het betoog van appellante leidt niet tot het door haar gewenste resultaat. Tegen het besluit van de Staatssecretaris van 28 januari 1998 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het terugvorderingsbesluit en de vaststellingsbesluiten in rechte onaantastbaar zijn. In beginsel dient derhalve te worden uitgegaan van de rechtmatigheid daarvan. Er zijn geen bijzondere omstandigheden, op grond waarvan daarover in dit geval anders zou moeten worden geoordeeld. Reeds daarom heeft de Staatssecretaris het verzoek van appellante om schadevergoeding mogen afwijzen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter,

en mr. H. Bekker en mr. B. van Wagtendonk, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Frenkel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2001

206.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,