Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB3332

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2001
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
200003336/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtsdeurwaarder is geen bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:1, eerste lid Awb.

Afwijzing schadeverzoek in verband met een onrechtmatige beslaglegging door Nationale Nederlanden namens C (hierna: de gerechtsdeurwaarder). Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het ingestelde beroep kennis te nemen.

Afdeling: De positie van de deurwaarder is die van een zelfstandige ondernemer aan wie bij wet enkele specifieke taken zijn toebedeeld die gerelateerd zijn aan de uitoefening van overheidsgezag. Als zodanig kan hij derhalve niet worden aangemerkt als een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld. Hierop wijst ook art. 480, derde lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de daarop gegeven toelichting, waaruit naar voren komt dat slechts in een daarin beschreven specifiek geval de aansprakelijkheid van de staat voor daden van de deurwaarder wordt aanvaard. Voorts kan niet worden staande gehouden dat de deurwaarder is opgetreden als persoon met enig openbaar gezag bekleed. De bevoegdheid tot optreden in het kader van beslaglegging als hier aan de orde is immers geregeld in het burgerlijk recht. De brieven van de deurwaarder zijn niet afkomstig van een bestuursorgaan en derhalve geen besluiten in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb.

Rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard, zij het op onjuiste gronden.

Hoger beroep van rechtbank Groningen d.d. 20 juni 2000, ECLI:NL:RBGRO:2000:AA6875

mrs. P.J. Boukema, F.P. Zwart, M.G.J. Parkins-de Vin

C, gerechtsdeurwaarder.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 51 met annotatie van S.E. Zijlstra
JB 2001/216 met annotatie van Hans Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200003336/1

Datum uitspraak: 8 augustus 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

mr. A, wonend te B, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 20 juni 2000 in het geding tussen:

appellant

en

C, gerechtsdeurwaarder.

1 . Procesverloop

Bij brief van 11 maart 1999 heeft Nationale Nederlanden namens gerechtsdeurwaarder C (hierna: de gerechtsdeurwaarder), het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met een onrechtmatige beslaglegging afgewezen.

Bij brief van 31 maart 1999 heeft de gerechtsdeurwaarder appellant naar aanleiding van het door hem gemaakte bezwaar, medegedeeld zich te conformeren aan het in voormelde brief ingenomen standpunt. Deze brief is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

[redactie: url('AA6865',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=20530)]

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 juli 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2000, waar appellant in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:1, eerste lid en aanhef van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder bestuursorgaan verstaan:

a) een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld

of

b) een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

2.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3. De Afdeling zal allereerst de vraag beantwoorden of de deurwaarder een orgaan is van de staat als krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon.

De positie van de deurwaarder is die van een zelfstandige ondernemer aan wie bij wet enkele specifieke taken zijn toebedeeld die gerelateerd zijn aan de uitoefening van overheidsgezag. Als zodanig kan hij derhalve niet worden aangemerkt als een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld. Hierop wijst ook artikel 480, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de daarop gegeven toelichting, waaruit naar voren komt dat slechts in een daarin beschreven specifiek geval de aansprakelijkheid van de staat voor daden van de deurwaarder wordt aanvaard. Een uitdrukkelijke bepaling met betrekking tot de aansprakelijkheid werd noodzakelijk geacht, omdat er niet op mocht worden vertrouwd dat een aansprakelijkheid van de staat zonder deze bepaling zou worden aanvaard. (Zie Parlementaire Geschiedenis van het NBW, Boek 3, pagina 830 e.v.).

2.4. Voorts kan niet worden staande gehouden dat in het onderhavige geval de deurwaarder, die slechts tot tenuitvoerlegging van het vonnis mag overgaan indien hij daartoe een opdracht heeft gekregen van de executieschuldeiser en daarbij is gehouden aan hetgeen de rechtbank in het vonnis heeft bepaald, is opgetreden als persoon met enig openbaar gezag bekleed. De bevoegdheid tot optreden in het kader van beslaglegging als hier aan de orde is immers geregeld in het burgerlijk recht.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de brieven van de deurwaarder van 11 maart en 31 maart 1999 niet afkomstig zijn van een bestuursorgaan en daarom geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Tegen de brief van 31 maart 1999 kon derhalve ingevolge artikel 8:1 van de Awb geen beroep worden ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen, zij het op onjuiste gronden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient met verbetering van de gronden te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van

de voorzitter:

w.g. Zwart w.g. Kallan

(Lid van de meervoudige kamer) ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2001

15.

Verzonden: 8 augustus 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,