Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB3305

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2001
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
200002438/1.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200002438/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 27 maart 2000 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 1998 heeft de Minister van Justitie (hierna: de Minister) een aanvraag van appellant om vergunning voor het tot stand brengen van een particulier recherchebureau afgewezen, alsmede geweigerd toestemming te verlenen om appellant met de leiding van enig particulier recherchebureau te belasten.

Bij besluit van 19 november 1998 heeft de Minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 maart 2000, verzonden op 7 april 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 september 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 oktober 2000 heeft de Minister een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart,'2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Visser, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5 van de - inmiddels ingetrokken - Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties (hierna: de Wet) is het verboden zonder vergunning van de Minister een particuliere beveiligingsorganisatie tot stand te brengen, te wijzigen, te steunen of daarvan deel uit te maken.

In artikel 9, eerste lid, van de Wet is onder meer bepaald dat de Minister ten aanzien van een particuliere beveiligingsorganisatie regels kan stellen met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden en de wijze waarop die werkzaamheden worden verricht en de geschiktheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de leiding en het personeel. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties (hierna: de Regeling) belast een particuliere beveiligingsorganisatie een persoon uitsluitend met de directe of indirecte leiding over de organisatie indien voor deze ministeriële toestemming is verkregen.

Ingevolge het tweede lid wordt deze toestemming geweigerd of ingetrokken, indien de betrokkene niet, onderscheidenlijk niet meer, voldoende geschikt, bekwaam of betrouwbaar is om leiding te geven aan een particuliere beveiligingsorganisatie.

Ingevolge artikel 13 van de Regeling stelt een particuliere beveiligingsorganisatie een persoon uitsluitend te werk indien voor het verrichten van die werkzaamheden, ten behoeve van de betrokkene, toestemming is verkregen van de korpschef van de regio waarin de organisatie of een onderdeel van de organisatie is gevestigd.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Regeling wordt de toestemming, bedoeld in artikel 13, geweigerd indien:

a. de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf, waarbij een geldboete is opgelegd, of

b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf, waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of

c. op grond van andere omtrent de betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om voor een particuliere beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten en de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

2.2. De Minister voert bij het, met toepassing van artikel 11 van de Regeling, verlenen van toestemming voor het uitoefenen van leidinggevende werkzaamheden bij een particuliere beveiligingsorganisatie het beleid dat wordt aangesloten bij de criteria in artikel 14, eerste lid, van de Regeling. Daarbij kent de Minister aan het criterium, neergelegd in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, een zwaarder gewicht toe. Hij wijst in dit verband op de toelichting bij de Regeling, waarin is aangegeven dat voor leidinggevend personeel binnen de beveiligingsorganisatie een extra, ministeriële, controle is gerechtvaardigd, aangezien de leidinggevende de mogelijkheid heeft het functioneren van het bedrijf en het personeel te beïnvloeden via het geven van aanwijzingen en opdrachten. Dit beleid is niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist.

2.3. De Minister heeft zich bij de beslissing op het bezwaarschrift op het standpunt gesteld dat appellant niet voldoende betrouwbaar is om met de leiding van een particuliere beveiligingsorganisatie te zijn belast. Daarbij heeft hij gewezen op diens strafrechtelijke antecedenten. Appellant is op […] mei 1991 in hoger beroep door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 voorwaardelijk, wegens het plegen van valsheid in geschrifte, na voor dit feit op […] december 1989 door de rechtbank te zijn veroordeeld tot een geldboete van f 7500,-. De Minister heeft in dit verband overwogen dat de omstandigheid dat appellant hoger beroep heeft ingesteld niet in zijn nadeel mag werken, zodat zal worden uitgegaan van de datum van die eerste veroordeling. Op zichzelf is deze veroordeling, aldus de Minister, van te oude datum om als grondslag voor een weigering te kunnen dienen, maar appellant heeft na deze veroordeling nog enkele overtredingen begaan. Hij heeft een transactievoorstel aanvaard wegens overtreding van de Drank- en Horecaverordening Breda en een schriftelijke waarschuwing gekregen van het Openbaar Ministerie wegens diefstal. Ook heeft de Minister gewezen op de omstandigheid dat appellant tussen 1981 en 1990 verschillende malen veroordeeld is tot gevangenisstraf.

2.4. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan indien, zoals in dit geval, de beslissing omtrent vergunningverlening en de beslissing met betrekking tot de verzochte toestemming nauw met elkaar zijn verweven, worden aanvaard dat een afdoende grond voor de weigering van de toestemming ook een afdoende grond voor de weigering van de vergunning oplevert, en beschikt de Minister met betrekking tot de toepassing van artikel 5 van de Wet en artikel 11 van de Regeling over discretionaire bevoegdheden. De rechter dient zich te beperken tot de vraag of de weigering op een deugdelijke feitelijke grondslag berust en of niet sprake is van zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat de uitkomst ervan als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd.

2.5. Het betoog van appellant kan niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de weigering op een deugdelijke feitelijke grondslag berust en geen sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen dat de Minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving van de integriteit en betrouwbaarheid van de particuliere beveiligingsbranche, zwaarder moet wegen dan het belang van appellant bij de gevraagde vergunning en toestemming. De Minister heeft, aansluitend bij artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, mede voormelde veroordeling door de rechtbank in aanmerking mogen nemen, ondanks de omstandigheid dat die veroordeling op zichzelf, gelet op artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, de weigering niet zou kunnen dragen. Hij mag, nu het gaat om een aanvraag om toestemming, als bedoeld in artikel 11 van de Regeling, bij zijn beoordeling daarvan feiten betrekken die bij onverkorte toepassing van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b en c, buiten beschouwing zouden moeten blijven. Van bijzondere omstandigheden die er toe zouden nopen in dit geval van die benaderingswijze af te wijken is niet, althans onvoldoende, gebleken. Dat het, naar appellant betoogt, bij de door de Minister meegewogen gevallen die dateren van na meergenoemde veroordeling, om vergissingen gaat, en niet om moedwillige overtredingen van rechtsregels, maakt het niet anders. De desbetreffende feiten en omstandigheden zijn niet als zo onbeduidend te kwalificeren, dat de Minister daarop geen acht had mogen slaan. Het betoog van appellant dat hij aan de eisen van vakbekwaamheid voldoet, kan ook niet slagen, nu de weigering van vergunning en toestemming niet is gebaseerd op tekortschietende vakbekwaamheid, maar op onvoldoende betrouwbaarheid.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R.R. Winter, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2001

91.

Verzonden: 8 mei 2001

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,