Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB3266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2001
Datum publicatie
03-01-2002
Zaaknummer
200102116/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200102116/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2001, kenmerk 6.8/2001002262, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de stichting "Stichting Exploitatie Regionaal Motorsportcentrum Steenbergerveld" een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorsportterrein op het terrein tussen de Commissieweg en de Veldweg te Roden, kadastraal bekend gemeente Roden, sectie [...], nummers [nummers]. Dit besluit is op 22 maart 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 1 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2001, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2001, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2001.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juli 2001, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. drs. S. Wadman, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door drs. G. Smidt en ing. M.R.F.C. Clarenbeek, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De onderhavige vergunning betreft een uit drie banen van respectievelijk 400 meter, 550 meter en 850 meter lengte bestaand motorsportterrein en een parkeergelegenheid annex rennerskwartier. Op het terrein worden op woensdag en zaterdag trainingen en wedstrijden georganiseerd. De inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en is met een onderbreking van twee jaar ongeveer twintig jaar op de onderhavige locatie gevestigd geweest.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.4. Verzoekers voeren aan dat gedeputeerde staten in het onderhavige geval niet het tot vergunningverlening bevoegde gezag zijn omdat in categorie 19.2 wordt gesteld dat het geen openbare weg zijnde terreinen moet betreffen voordat gedeputeerde staten als bevoegd gezag kunnen worden aangemerkt.

De Voorzitter overweegt dat in de bedoelde categorie geduid wordt op terreinen waar de motorsportbanen zelf deel uit maken van de openbare weg. In het onderhavige geval doorkruist een nog niet aan de openbaarheid onttrokken weg het terrein van de inrichting. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld voor de onderhavige inrichting het tot vergunningverlening bevoegde gezag te zijn.

2.5. Verzoekers voeren aan dat de vergunningaanvraag ontoereikend is en niet vergezeld is gegaan van een aanvraag voor de benodigde bouwvergunningen. Volgens verzoekers treedt de verleende vergunning op grond van artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunningen zijn verleend. Verweerders hebben volgens verzoekers, de vergunning ten onrechte (in beginsel) op 3 mei 2001 van kracht verklaard.

Verweerders voeren aan dat geen bouwvergunning vereist is voor de verblijfplaats van de jury en het starthuisje. De aanvraag voor een bouwvergunning voor een romneyloods is apart van de aanvraag om een milieuvergunning ingediend, maar heeft wel tegelijkertijd met het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken ter inzage gelegen. Deze aanvraag is later, per ongeluk, weer ingetrokken en vervolgens opnieuw ingediend. Vergunninghoudster is er, volgens verweerders, van op de hoogte dat de bouwvergunning moet zijn verleend alvorens gebruik kan worden gemaakt van de Wet milieubeheer vergunning.

Gelet op de stukken en de toelichting van verweerders is de Voorzitter van oordeel dat uit hetgeen verzoekers hebben aangevoerd niet gebleken is dat de vergunningprocedure niet op de juiste wijze is doorlopen. Gelet op het vorenstaande geeft het onderhavige bezwaar van verzoekers de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Verzoekers voeren aan dat verweerders ten onrechte hebben beslist dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het maken van een milieueffectrapport rechtvaardigen. Zij zijn van mening dat er in de kenmerken van de activiteit, de plaats waar de activiteit wordt verricht, de samenhang met andere activiteiten ter plaatse en de kenmerken van de gevolgen van de activiteiten verscheidene bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer aanwezig zijn die het maken van een milieueffectrapport rechtvaardigen.

Verweerders voeren aan, mede op advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage, tot het oordeel te zijn gekomen dat er in het onderhavige geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b en 7.8d van die wet moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

In artikel 7.8a, eerste lid, is bepaald dat, indien degene die een activiteit onderneemt, aangewezen krachtens artikel 7.4, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een krachtens dat artikel aangewezen besluit, hij dat voornemen schriftelijk mededeelt aan het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover van belang, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

De in het bestreden besluit vergunde activiteiten worden in bijlage D, categorie 43 van het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999 aangewezen krachtens artikel 7.4 van de Wet milieubeheer als activiteit waarbij het bevoegd gezag moet bepalen of voor die activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Uit de stukken blijkt dat verweerders hun besluit dat in het onderhavige geval geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld baseren op een door de Commissie voor de milieueffectrapportage op 2 december 1999 uitgebracht advies. In hetgeen verzoekers aanvoeren ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het standpunt dat verweerders zich niet aan het dit advies hebben kunnen conformeren. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat er in de onderhavige situatie geen bijzondere omstandigheden zijn die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

2.7. Verzoekers voeren aan dat vergunninghoudster akoestisch onderzoek ten behoeve van de vergunningaanvraag heeft laten verrichten door de rechtsopvolger van het bureau dat het akoestisch onderzoek ten behoeve van de geluidzone rondom het industrieterrein waarop de inrichting is gelegen heeft opgesteld. Volgens verzoekers hebben verweerders hiermee de schijn van partijdigheid onvoldoende vermeden. Tevens stellen ze dat dit akoestisch onderzoek dusdanige onvolkomenheden bevat dat het bestreden besluit hierdoor voor schorsing in aanmerking komt.

De Voorzitter overweegt dienaangaande dat de aanvrager van een vergunning vrij is in de keuze van het akoestisch onderzoeksbureau. Als dit hetzelfde bureau is als het bureau dat het onderzoek ten behoeve van de geluidzone heeft opgesteld, hoeft dit voor verweerders geen aanleiding te vormen om het door dit bureau opgestelde en bij de vergunningaanvraag gevoegde onderzoek niet te accepteren. De Voorzitter ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat dat in dit onderzoek onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd of dat de uitkomsten van dit onderzoek onjuist zouden zijn. De Voorzitter ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport voldoende informatie bevat om een goed beeld van het door de inrichting veroorzaakte geluid te verkrijgen. Gelet op het vorenstaande geeft het onderhavige bezwaar van verzoekers de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. Verzoekers voeren aan dat de vergunning had moeten worden geweigerd omdat de procedure tot vaststelling van maximaal toelaatbare waarden van geluidbelasting in de zin van artikel 72 van de Wet geluidhinder nog niet volledig is afgerond. In de vergunning ontbreekt, volgens verzoekers een voorschrift waarin staat dat zolang de in het saneringsplan opgenomen gevelsaneringen nog niet zijn voltooid geen gebruik van de vergunning mag worden gemaakt.

Uit de stukken blijkt dat de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij besluit van 27 oktober 1999 de maximaal toelaatbare waarden van geluidbelasting in de zin van artikel 72 van de Wet geluidhinder voor veertien binnen de geluidzone gelegen woningen heeft vastgesteld. Tegen dit besluit is bezwaar en beroep ingesteld. Dat dit besluit nog niet onherroepelijk is geworden betekent echter niet dat verweerders de onderhavige aanvraag voor een milieuvergunning hadden behoren te weigeren. Het is dan ook niet noodzakelijk dat in de onderhavige milieuvergunning een voorschrift wordt opgenomen dat stelt dat de inrichting niet in werking mag zijn tot de saneringsmaatregelen zijn voltooid. Gelet op het vorenstaande geeft het onderhavige bezwaar van verzoekers de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9. Verzoekers voeren aan te vrezen voor ernstige geluidoverlast ten gevolge van het gebruik van het motorcrosscircuit en het aan- en afrijden van gebruikers en bezoekers. Zij stellen hierbij dat geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van het in de nabijheid van de inrichting gelegen modelvliegterrein. Tevens stellen zij dat de vergunningvoorschriften volstrekt ontoereikend zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken te voorkomen dan wel te beperken. In de vergunning wordt ten onrechte een geluidwal van drie meter hoogte voorgeschreven terwijl het saneringsplan uit gaat van een geluidwal van zeven en een halve meter hoogte. Ook is de in voorschrift 3.3 opgenomen norm voor het maximale geluidniveau is, volgens verzoekers, veel te hoog.

Verweerders stellen dat het bestreden besluit gebaseerd is op het in de aanvraag voor een milieuvergunning opgenomen aantal personenwagens die het terrein zullen bezoeken. Tevens stellen zij dat met de cumulatieve effecten van het in de nabijheid van de inrichting gelegen modelvliegterrein rekening is gehouden. Uit het bij de aanvraag behorende akoestischrapport volgt, volgens verweerders, dat om te kunnen voldoen aan de in de vergunning opgenomen geluidnormen een geluidwal met een hoogte van drie meter voldoende is.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het standpunt dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder in voldoende mate beperken. Gelet hierop geeft het onderhavige bezwaar van verzoeker de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.10. Verzoekers voeren aan dat het terrein van de inrichting grenst aan een voormalige vuilstortplaats. Zij stellen dat uit bodemonderzoek blijkt dat het terrein van de inrichting verontreinigd is en dat om die reden het motorsportterrein niet gerealiseerd mag worden zonder voorafgaande bodemsanering.

Verweerders stellen dat het terrein van de inrichting inderdaad verontreinigd is en dat daarom gebruiksbeperkingen op grond van de Wet bodembescherming voor het terrein gelden. Ook ontgravingen zijn hierbij verboden. Deze zullen bij de aanleg van het motorsportterrein dan ook niet plaatsvinden.

De Voorzitter overweegt dat de aanwezigheid van een bodemverontreiniging een belang is dat niet in de Wet milieubeheer, maar in de Wet bodembescherming is geregeld. Dit bezwaar is dan ook niet gericht tegen de thans ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden in deze procedure niet leiden tot treffen van een voorlopige voorziening.

2.11. Gelet op het vorenstaande en hetgeen overigens is aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.12. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Ruige, ambtenaar van Staat.

w.g. Berg w.g. Ruige

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001

274-315.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,