Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB3095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
06-08-2001
Zaaknummer
200000061/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoge Raad van Adel niet beslissingsbevoegd ten aanzien van verzoeken tot verlening van adeldom.

Afwijzing door de Hoge Raad van Adel van verzoek tot inschrijving in het filiatieregister der Nederlandse adel. Ingevolge art. 1 van de Wet op de adeldom wordt adeldom verleend bij koninklijk besluit. Ingevolge art. 6, eerste en tweede lid, van de Wet heeft de Hoge Raad van Adel tot taak de Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom. De Wet voorziet niet in de mogelijkheid van overdracht van de bevoegdheid in kwestie aan de Hoge Raad van Adel. Het gemis aan wettelijke grondslag voor overdracht van de bevoegdheid wordt niet goedgemaakt door de omstandigheid dat de besluitvorming een voortzetting betreft van de in het verleden gegroeide praktijk. Daargelaten of die praktijk zich verdroeg met de vóór het in werking treden van de Wet geldende regelingen, uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt genoegzaam dat de wetgever heeft beoogd de taak van de Hoge Raad van Adel in het kader van de adelsverlening strikt te beperken tot de in art. 6 neergelegde adviesbevoegdheid.

De Hoge Raad was derhalve niet bevoegd een beslissing te nemen op het onderhavige verzoek. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gegrond hoger beroep.

De Hoge Raad van Adel.

dr. J.C.K.W. Bartel

Wetsverwijzingen
Wet op de adeldom
Wet op de adeldom 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200000061/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 24 november 1999 in het geding tussen:

appellante

en

de Hoge Raad van Adel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 1997 heeft de Hoge Raad van Adel het verzoek van appellante om inschrijving in het filiatieregister geweigerd.

Bij besluit van 2 december 1998 heeft de Hoge Raad van Adel het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 november 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 april 2000 heeft de Hoge Raad van Adel een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2000, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen, en de Hoge Raad van Adel, vertegenwoordigd door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag, en mr. O. Schutte, secretaris van de Raad, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van de Hoge Raad van Adel en van de Minister van Binnenlandse Zaken.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. In geding is de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde afwijzing door de Hoge Raad van Adel van het verzoek van appellante om haar in te schrijven in het filiatieregister der Nederlandse adel.

2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet op de adeldom (Wet van 10 mei 1994, in werking getreden op 1 augustus 1994; hierna: de Wet) wordt adeldom verleend bij koninklijk besluit. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet, heeft de Hoge Raad van Adel tot taak de Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom.

De Wet voorziet niet in de mogelijkheid van overdracht van de bevoegdheid in kwestie aan de Hoge Raad van Adel.

2.3. Het gemis aan wettelijke grondslag voor overdracht van de bevoegdheid wordt niet goedgemaakt door de omstandigheid dat de besluitvorming een voortzetting betreft van de in het verleden gegroeide praktijk. Daargelaten of die praktijk zich verdroeg met de vòòr het in werking treden van de Wet geldende regelingen, uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt genoegzaam dat de wetgever heeft beoogd de taak van de Hoge Raad van Adel in het kader van de adelsverlening strikt te beperken tot de in artikel 6 neergelegde adviesbevoegdheid.

2.3. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de Hoge Raad van Adel niet bevoegd was een beslissing te nemen op appellantes verzoek. Bij de beslissing op bezwaar had het primaire besluit dan ook moeten worden herroepen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het inleidende beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 2 december 1998 vernietigd en het besluit van 20 oktober 1997 herroepen.

2.5. Gezien het voorgaande is geen plaats voor inwilliging van het verzoek van de Hoge Raad van Adel om, met toepassing van artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, in samenhang met artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2.5. De Hoge Raad van Adel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 24 november 1999, Awb 98/729;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Hoge Raad van Adel van 2 december 1998, nr. 98/234-33 (97);

V. herroept het besluit van de Hoge Raad van Adel van 20 oktober 1997;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de Hoge Raad van Adel in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 2.840,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Hoge Raad van Adel te worden betaald aan appellante.

VIII. gelast dat de Hoge Raad van Adel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (ƒ 565,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Zijlstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2001

240.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,