Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB3093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2001
Datum publicatie
06-08-2001
Zaaknummer
200001618/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College van beroep voor de examens is geen gerecht in de zin van art. 6, eerste lid EVRM.

Administratief beroep tegen de uitslag van een tentamen […] ongegrond verklaard door het College van beroep.

Appellant heeft betoogd, dat sprake is van schending van art. 6 EVRM aangezien het College van beroep niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

Dit betoog faalt reeds omdat het College van beroep geen gerecht is in de zin van art. 6, eerste lid EVRM, maar een onderdeel is van het bestuur. Tegen de in administratief beroep genomen beslissing van het College van beroep kan beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling worden ingesteld.

Het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam.

mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, J.A.M. van Angeren, C. de Gooijer

Wetsverwijzingen
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/215 met annotatie van C.L.G.F.H.A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200001618/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 17 februari 2000 in het geding tussen:

appellant

en

het College van beroep voor de examens van de Universiteit van

Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 april 1998 heeft de examinator de uitslag vastgesteld van het op 30 maart 1998 door appellant afgelegde tentamen […] en bepaald dat appellant voor dit tentamen een vier heeft behaald.

Bij besluit van 26 juni 1998 heeft het College van beroep het door appellant tegen dit besluit ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 februari 2000, verzonden op 22 februari 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 juli 2000 heeft het College van beroep een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2000, waar appellant in persoon is verschenen. Het College van beroep en de Propedeuse Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam hebben zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft allereerst betoogd dat sprake is van schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) aangezien het College van beroep niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht en evenmin sprake is geweest van een eerlijke behandeling.

2.1.1. Dit betoog faalt reeds omdat - zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld - het College van beroep geen gerecht is in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, maar een onderdeel is van het bestuur. Tegen de in administratief beroep genomen beslissing van het College van beroep kan beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling worden ingesteld. Voorzover aspecten van het beroep van appellant in de bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde kunnen komen, heeft appellant de mogelijkheid zich tot de burgerlijke rechter te wenden. Hetgeen door appellant is aangevoerd met betrekking tot de onafhankelijk- en onpartijdigheid van het College van beroep en de vraag of de behandeling van het administratief beroep bij het College een eerlijke behandeling in de zin van artikel 6 van het EVRM is, kan dan ook onbesproken blijven.

2.2. In de beslissing op administratief beroep heeft het College van beroep overwogen, dat slechts indien het tot de conclusie komt dat de examinator niet in redelijkheid tot het desbetreffende oordeel heeft kunnen komen een tegen de beslissing van de examinator gericht beroep gegrond kan worden verklaard. Afgezien van het geval dat, hetzij de tentamenvragen niet aansluiten op de verplichte studiestof, hetzij overeenkomstige afwijkingen van de normantwoorden door dezelfde examinator bij andere kandidaten bij hetzelfde tentamen hoger zijn gewaardeerd, hetzij er gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt ter zake van een hoger waardering, kunnen materiële bezwaren slechts dan gegrond worden verklaard, indien geen redelijk oordelend examinator een waardering als de gegeven waardering had kunnen geven voor een bepaald antwoord, aldus het College van beroep. Het oordeel van de rechtbank dat de door het College van beroep gehanteerde toetsingsmaatstaf niet onjuist is, wordt in hoger beroep niet bestreden.

2.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat het College van beroep de door haar voorgestane toetsingsmaatstaf niet heeft toegepast omdat het de tentamenvragen niet aan de door haar ontwikkelde criteria voor tentamenvragen heeft getoetst en heeft nagelaten aan te geven waarom de betwiste tentamenvragen gesteld mochten.

2.3.1. De vraag of de tentamenvragen - gelet op de door het College van beroep daarvoor ontwikkelde criteria - toelaatbaar zijn, is geen vraag die ambtshalve door het College van beroep had moeten worden beantwoord. Aangezien appellant terzake in administratief beroep geen gronden heeft aangevoerd, bestond er voor het College van beroep dan ook geen noodzaak in de beslissing op administratief beroep op deze vraag in te gaan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C. de Gooijer, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Loon

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2001

66-284.

Verzonden: