Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB3090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
06-08-2001
Zaaknummer
200101013/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

:

Verschillende motivering in uitspraken van rechtbank Dordrecht en Breda in gelijksoortige zaken; voorlopige voorziening getroffen dat geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te worden genomen voordat de Afdeling in hoger beroep heeft beslist.

Verzoek om schorsing van de uitspraak van de rechtbank Dordrecht, waarbij het beroep van Landbouwbedrijf Agrilinde B.V. tegen toekenning van een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (de Regeling) gegrond is verklaard en aan verzoeker is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Verzoeker stelt dat hij weliswaar een nieuwe beslissing op bezwaar kan nemen maar dat hij, gelet op het verschil in motivering van de uitspraken van de rechtbank Dordrecht en van de rechtbank Breda niet uitsluit dat op grond van de behandeling in hoger beroep alsnog een andersluidende beslissing op bezwaar zal moeten worden genomen.

De Voorzitter willigt de gevraagde voorlopige voorziening in en bepaalt dat verzoeker geen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden, verzoeker.

mr. J.H.B. van der Meer

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Besluit van toepassingverklaring Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen op de schade en kosten tengevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 319 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200101013/3.

Datum uitspraak: 18 juli 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en

Koninkrijksaangelegenheden, verzoeker

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 15 december 2000 in het geding tussen:

verzoeker

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Landbouwbedrijf Agrilinde B.V.", gevestigd te Zuid-Beijerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2000 heeft verzoeker ongegrond verklaard het bezwaar van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Landbouwbedrijf Agrilinde B.V." (hierna: Agrilinde) tegen het besluit van 22 april 1999 waarbij verzoeker Agrilinde krachtens de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regelval 1998 (hierna: de Regeling) een tegemoetkoming van ƒ 51.276,00 heeft toegekend in de door haar geleden schade in verband met de mislukte oogst van stamslabonen als gevolg van hevige regenval op 13 en 14 september 1998.

Bij uitspraak van 15 december 2000, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (hierna ook: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep van Agrilinde gegrond verklaard, het besluit van 22 februari 2000 vernietigd en bepaald dat verzoeker terzake een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 24 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2001, hoger beroep ingesteld.

Per fax, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2001, heeft verzoeker de Voorzitter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juli 2001, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. J.W. Genuit, gemachtigde, en Agrilinde, vertegenwoordigd door mr. W.M. Bijloo, zijn verschenen.

Voorts is J.M.M. Roks daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde bij de rechtbank te Dordrecht was, of verweerder bij de berekening van de tegemoetkoming krachtens de Regeling terecht is uitgegaan van de industrienorm en niet van de versmarktnorm. De normbedragen voor stamslabonen ten behoeve van de versmarkt zijn hoger dan die voor stamslabonen ten behoeve van de industrie.

2.2. Agrilinde voert aan van mening te zijn dat toepassing van de versmarktnorm is aangewezen. Zij vindt hiervoor onder meer steun in de rechtbankuitspraak. Zij wijst er op dat de schade is geleden in 1998 en dat zij het - hogere - bedrag van de tegemoetkoming nodig heeft voor haar bedrijfsvoering.

2.3. Verzoeker vraagt om schorsing van de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht, voorzover hem daarbij is opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen. De motivering van verzoeker daartoe is, dat in gelijksoortige zaken krachtens de Regeling waar het betreft de stamslabonen door zowel de rechtbank te Dordrecht als die te Breda een uitspraak is gedaan waarbij verzoeker is opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Het dictum van de uitspraken berust evenwel op op essentiële punten van elkaar verschillende motiveringen. Gelet hierop acht verzoeker het raadzaam om eerst de beslissing van de Afdeling af te wachten op het hoger beroep dat hij heeft ingesteld, voordat hij een nieuwe beslissing op bezwaar zal nemen.

2.4. De Voorzitter overweegt dat Agrilinde een belang heeft bij een nieuwe beslissing op bezwaar, nu zij stelt recht te hebben op een hogere tegemoetkoming in de door haar geleden schade, geld dat zij nodig heeft voor haar bedrijfsvoering. Verzoeker stelt daarentegen dat hij weliswaar in de onderhavige zaak een nieuwe beslissing op bezwaar kan nemen, die naar hij stelt niet zal leiden tot een hogere tegemoetkoming omdat er alsnog met een aantal aftrekposten rekening zal moeten worden gehouden, maar hij, gelet op het verschil in motivering van de beide rechtbanken, niet uitsluit dat op grond van de behandeling in hoger beroep alsnog een andersluidende beslissing op bezwaar zal moeten worden genomen. Met het oog op de consistentie van de nieuwe beslissingen op bezwaar vindt verzoeker het van belang dat hij, vooruitlopende op de behandeling van en de uitspraak op het hoger beroep door de Afdeling, thans geen nieuwe beslissing op bezwaar behoeft te nemen.

2.5. Alles afwegende bestaat onder deze omstandigheden aanleiding voor het inwilligen van de gevraagde voorlopige voorziening.

2.6. Gelet op de verklaring van verzoeker ter zitting dat hij, gelet op het feit dat hij heeft nagelaten tijdig na de uitspraak van de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen en Agrilinde om die reden genoodzaakt was om tweemaal bij de Afdeling te verschijnen, de proceskosten van Agrilinde ook in deze zaak zal vergoeden, bestaat aanleiding ten aanzien van verzoeker een proceskostenveroordeling uit te spreken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker geen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist;

II. veroordeelt verzoeker in de door Agrilinde gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1756,15, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden te worden betaald aan Agrilinde.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2001

66.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,