Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB2701

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
18-07-2001
Zaaknummer
200005440/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Peildatum vaststelling omvang vermogensschade bestaande uit verminderde waarde bedrijf als gevolg van de wijziging van de planologische situatie.

Gedeeltelijke afwijzing verzoek om planschadevergoeding. Het verzoek van appellant houdt verband met twee planologische wijzigingen, te weten de inwerkingtreding van twee bestemmingsplannen. Appellant heeft onder meer verzocht om schadevergoeding wegens waardevermindering van het bedrijf, aangezien ten gevolge van de gewijzigde planologische situatie de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf zijn beperkt, zodat een eventuele koper na de inwerkingtreding van het plan "Bedrijfsterrein Boswijklaan" minder voor het bedrijf met de daarbij behorende bedrijfswoning zal willen betalen. Voor de vaststelling van de omvang van deze vermogensschade is bepalend het verschil tussen de waarde van de desbetreffende onroerende zaak onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de schadeveroorzakende planologische maatregelen rechtskracht verkrijgen en de waarde van de zaak onmiddellijk daarna. De door de raad aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden zijn opgetreden na de peildatum en houden verband met de exploitatie van het bedrijf door appellant.

Dusdoende is de raad er evenwel aan voorbij gegaan dat het verzoek van appellant niet strekt tot vergoeding van door hem als gevolg van de wijziging van de planologische situatie geleden of nog te lijden exploitatieverliezen, maar tot vergoeding van de ten gevolge van deze wijziging verminderde waarde van het bedrijf.

De rechtbank heeft dit miskend.

Gegrond hoger beroep.

De raad der gemeente Doorn.

mrs. J.H.B. van der Meer, J.A.M. van Angeren, P.A. Offers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2002/29
Module Ruimtelijke ordening 2001/3234
Module Ruimtelijke ordening 2001/4257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State 200005440/1.

Datum uitspraak: 14 juni 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 17 oktober 2000 in het geding tussen:

appellant

en

de raad der gemeente Doorn.

1.Procesverloop

Bij besluit van 24 november 1998 heeft de raad der gemeente Doorn (hierna: de raad) aan appellant naar aanleiding van diens verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) een bedrag toegekend van ƒ 5.000,00.

Bij besluit van 31 augustus 1999 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de restcommissie voor bezwaren en beroepen van 11 juni 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 oktober 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 november 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 december 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 februari 2001 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.H.N. van Spanje, advocaat te Wageningen, en de raad, vertegenwoordigd door H.J. Knibbe en S.G.T. Koekoek, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek van appellant houdt verband met twee planologische wijzigingen, te weten de inwerkingtreding van de bestemmingsplannen "Bedrijfsterrein Boswijklaan" en "Landelijk Gebied, derde herziening".

2.2. Vóór het inwerkingtreden van de bestemmingsplannen die naar stellen van appellant schade hebben veroorzaakt, gold voor de betrokken percelen het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak, derde herziening" van 18 februari 1957. De bestemming van de percelen was "grond, bestemd voor het agrarische-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, alsmede voor bebouwing ten dienste van of in verband staande met deze bestemming". Bij een bedrijfsoppervlakte van 10 ha bood deze bestemming verder de mogelijkheid van een vrijstaand eengezinshuis op 15 meter uit de as van de weg; bij een in werking zijnd tuinbouw- of fruitteeltbedrijf was een vrijstaand eengezinshuis toegestaan bij een oppervlakte van ten minste 3 ha. De maximale hoogte van de bouwwerken was 15 meter.

2.3. Op grond van het bestemmingsplan "Bedrijfsterrein Boswijklaan" is de bestemming van een naast de varkensfokkerij van appellant gelegen perceel van "grond, bestemd voor het agrarische-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, alsmede voor bebouwing ten dienste van of in verband staande met deze bestemming" gewijzigd in "bedrijfsdoeleinden, categorie I". Op grond van artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de aldus bestemde gronden worden gebruikt voor doeleinden van handel en bedrijf, met uitzondering van detailhandelsbedrijven.

2.4. Op grond van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied, derde herziening" is de bestemming van het perceel van appellant van "grond, bestemd voor het agrarische-, tuinbouw-, of fruitteeltbedrijf, alsmede voor bebouwing ten dienste van of in verband staande met deze bestemming" gewijzigd in "agrarisch gebied met bebouwing". Op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften mogen de aldus bestemde gronden worden gebruikt voor de exploitatie van het agrarisch bedrijf en mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de uitoefening van deze bedrijfsvorm. Het derde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders van het bepaalde in lid 1 en 2 (aanhef) vrijstelling verlenen voor de intensieve veehouderij.

2.5. Het oordeel van de rechtbank dat appellant als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Bedrijfsterrein Boswijklaan" per 15 juni 1984, waarmee de oprichting van stankgevoelige kantoorbebouwing binnen een straal van 100 meter van het bedrijf van appellant mogelijk werd, in een nadeliger planologische situatie is komen te verkeren, is in hoger beroep niet bestreden, zodat van de juistheid hiervan wordt uitgegaan.

2.6. Appellant heeft in het kader van de door hem gestelde waardevermindering van de woning - onder verwijzing naar de in de voorschriften bij het vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Bedrijfsterrein Boswijklaan" geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaak, derde herziening" opgenomen dubbeltelbepaling - betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de oprichting van een bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing binnen de hoogtegrenzen van de destijds geldende bouwverordening, te weten 15 meter, mogelijk was.

2.6.1. Dit betoog faalt. Nog daargelaten of genoemde dubbeltelbepaling aan oprichting van een dienstwoning in de weg zou hebben gestaan, is deze dubbeltelbepaling - gelet op de voorschriften van het uitbreidingsplan - niet van toepassing op de oprichting van ten dienste van het agrarische-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf staande bedrijfsbebouwing. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat ook op grond van het uitbreidingsplan op het desbetreffende perceel in beginsel bebouwing met een maximale hoogte van 15 meter mogelijk was.

2.6.2. In verband met de waardevermindering van de bedrijfswoning als gevolg van verminderd uitzicht heeft de raad aan appellant - overeenkomstig het advies van de Schadebeoordelingscommissie - een schadevergoeding toegekend ten bedrage van ƒ 5.000,00. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat appellant het advies van de commissie op dit punt niet heeft bestreden met een deskundigenrapport dat specifiek op de woning betrekking heeft en dat niet onaannemelijk is dat ten gevolge van de planologische wijziging de waarde van de woning van appellant met genoemd bedrag is verminderd. Ook in hoger beroep heeft appellant op generlei wijze aannemelijk gemaakt dat de taxatie door de commissie van de waardevermindering onjuist zou zijn. Hetgeen door appellant is aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding tot vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit punt.

2.7. Appellant heeft voorts verzocht om schadevergoeding wegens waardevermindering van het bedrijf, aangezien ten gevolge van de gewijzigde planologische situatie de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf zijn beperkt, zodat een eventuele koper na de inwerkingtreding van het plan "Bedrijfsterrein Boswijklaan" minder voor het bedrijf met de daarbij behorende bedrijfswoning zal willen betalen. Voor de vaststelling van de omvang van deze vermogensschade is bepalend het verschil tussen de waarde van de desbetreffende onroerende zaak onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de schadeveroorzakende planologische maatregelen rechtskracht verkrijgen en de waarde van de zaak onmiddellijk daarna. De door de raad aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden zijn opgetreden na de peildatum en houden verband met de exploitatie van het bedrijf door appellant. Dusdoende is de raad er evenwel aan voorbij gegaan dat het verzoek van appellant niet strekt tot vergoeding van door hem als gevolg van de wijziging van de planologische situatie geleden of nog te lijden exploitatieverliezen, maar tot vergoeding van de ten gevolge van deze wijziging verminderde waarde van het bedrijf. De rechtbank heeft dit miskend.

2.8. Appellant heeft verder betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de omstandigheid dat na het inwerkingtreden per 17 januari 1980 van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied, derde herziening" voor uitbreiding van het intensieve veehouderijbedrijf op zijn perceel vrijstelling van burgemeester en wethouders is vereist, geen beperkingen voortvloeien voor de bedrijfsvoering van appellant aangezien de bepaling voor burgemeester en wethouders geen mogelijkheid biedt tot het maken van een belangenafweging.

2.9. Dit betoog treft doel. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 1997 inzake E01.96.0238 (MenR 1998/6, 42) volgt, dat een vrijstellingsbepaling, zoals in het onderhavige geval aan de orde, niet zo ver kan strekken dat burgemeester en wethouders op grond daarvan verplicht zijn vrijstelling te verlenen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat burgemeester en wethouders ondanks de imperatieve bewoordingen van de vrijstellingsbepaling bij de toepassing daarvan gehouden zijn tot afweging van de betrokken belangen. Ook de raad heeft dit miskend.

2.10. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient, behoudens voorzover deze betrekking heeft op de waardevermindering van de woning als gevolg van verminderd uitzicht, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt ook de beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd.

2.11. De raad dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald een nieuwe beslissing te nemen op het door appellant bij brief van 6 januari 1999 gemaakte bezwaar. Daarbij dient tevens te worden bezien of de kosten van het door appellant overgelegde taxatierapport voor vergoeding op grond van artikel 49 van de WRO in aanmerking komen.

2.12. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 17 oktober 2000, SBR 99/2216, behoudens voorzover deze betrekking heeft op de waardevermindering van de woning als gevolg van verminderd uitzicht;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad der gemeente Doorn van 31 augustus 1999, behoudens voorzover dit betrekking heeft op de waardevermindering van de woning als gevolg van verminderd uitzicht;

V. draagt de raad der gemeente Doorn op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt de raad der gemeente Doorn in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 3.349,14, waarvan een gedeelte groot ƒ 2.840,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Doorn te worden betaald aan appellant;

VIII. gelast dat de gemeente Doorn aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (ƒ 565,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Van Loon

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2001

284.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,