Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB2287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-05-2001
Datum publicatie
13-11-2001
Zaaknummer
200003521/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Feit dat zonder bouwvergunning gebouwde appartementen reeds acht jaar zijn bewoond is niet aan te merken als bijzondere omstandigheid die kan leiden tot het afzien van door een derde gevraagde handhavingsmaatregelen.

Bij beslissing op bezwaar is onder gegrond-verklaring van de bezwaren van appellant alsnog bouwvergunning geweigerd voor het verbouwen van een bedrijfspand tot vier appartementen en zijn de bezwaren van appellant tegen de weigering om handhavingsmaatregelen te treffen met betrekking tot de reeds gebouwde appartementen ongegrond verklaard.

Afdeling: Vaststaat dat is gebouwd zonder bouwvergunning en dat de appartementen niet voldoen aan het Bouwbesluit. B&W waren derhalve bevoegd handhavend op te treden.

Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhaving worden afgezien. Van een bijzonder geval kan sprake zijn indien de illegale situatie alsnog kan worden gelegaliseerd. Legalisering is niet mogelijk. Als gevolg van het oprichten van de appartementen zijn thans naast het garagebedrijf van appellant, anders dan voorheen, woningen gevestigd. Niet onaannemelijk is dat appellant ten gevolge daarvan en als gevolg van het onvoldoende geluidsisolerend zijn van de scheidingsmuur niet meer voldoet aan de eisen die in het Besluit inrichtingen motorvoertuigen milieubeheer worden gesteld. Appellant heeft derhalve belang bij het opheffen van de illegale situatie. Met de bouw van de appartementen is begonnen voordat de bouwvergunning onherroepelijk was. Dit komt voor rekening van degene die heeft gebouwd.

Het alsnog weigeren van de bouwvergunning kan niet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid.

Evenmin kan als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt dat de appartementen sinds acht jaar zijn bewoond.

Hoger beroep gegrond.

Burgemeester en wethouders van Haarlem.

mrs. J.A.E. van der Does, C.A. Terwee-van Hilten, P.A. Offers

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2001-7153, 11 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2001/2490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200003521/1.

Datum uitspraak: 31 mei 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, wonend te B,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 7 juni 2000 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 1992 hebben burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: burgemeester en wethouders) aan X vergunning verleend voor het verbouwen van het bedrijfspand aan het […] 28-30 te B tot vier appartementen (hierna: de appartementen).

Bij besluit van 10 augustus 1993 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 oktober 1993, nos. R03.93.5025/P90, S03.93.4160 en S03.93.4055, heeft de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 22 maart 1994 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 oktober 1993 hebben burgemeester en wethouders geweigerd handhavingsmaatregelen te treffen wegens het bouwen van de appartementen zonder bouwvergunning of het bouwen daarvan in afwijking van de bouwvergunning van 14 juli 1992.

Bij besluit van 15 maart 1994 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 1997 heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) de door appellant tegen de besluiten van 22 maart 1994 en 15 maart 1994 ingestelde beroepen gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd.

Bij besluiten van 28 oktober 1997 hebben burgemeester en wethouders, gevolg gevend aan deze uitspraak, de bezwaren van appellant tegen het besluit tot het verlenen van de bouwvergunning en tegen de weigering handhavingsmaatregelen te treffen wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 1999, H01.97.0705, voor zover thans van belang, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 24 maart 1997, voor zover bestreden, bevestigd, het beroep van appellant tegen de besluiten van 28 oktober 1997 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na verzending van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar nemen.

Bij besluit van 23 maart 1999, verzonden op 26 maart 1999, hebben burgemeester en wethouders het bezwaar van appellant tegen de verleende bouwvergunning gegrond verklaard, alsnog geweigerd bouwvergunning te verlenen en het bezwaar tegen de weigering handhavingsmaatregelen te treffen met betrekking tot de appartementen aan het […] 28-30 te B ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 7 juni 2000, verzonden op 14 juni 2000, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juli 2000, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 oktober 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2001, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. A.M. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R.P.W. van Smaalen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is gebleken dat appellant het hoger beroep uitsluitend handhaaft voor zover dit gericht is tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de weigering handhavingsmaatregelen te treffen. De Afdeling overweegt dienaangaande het volgende.

2.2. Vaststaat dat is gebouwd zonder bouwvergunning en dat de appartementen niet voldoen aan het Bouwbesluit. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.2.1. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhaving worden afgezien. Van een bijzonder geval kan sprake zijn indien de illegale situatie alsnog kan worden gelegaliseerd. Vast moet worden gesteld dat legalisering niet mogelijk is.

2.2.2. Appellant exploiteert in zijn bedrijfspand naast de appartementen een garagebedrijf. Deze inrichting dient te voldoen aan de eisen die in het Besluit inrichtingen motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) worden gesteld. Deze eisen zien onder meer op geluidhinder. Hierbij is van belang of naast de inrichting woningen zijn gevestigd. Of het bestemmingsplan woningbouw ter plaatse toestaat, zoals burgemeester en wethouders hebben gesteld, is niet van belang. De feitelijke situatie is bepalend voor de eisen waaraan het garagebedrijf dient te voldoen.

Als gevolg van het oprichten van de appartementen zijn thans naast het garagebedrijf van appellant, anders dan voorheen, woningen gevestigd. Niet onaannemelijk is dat appellant ten gevolge daarvan en als gevolg van het onvoldoende geluidisolerend zijn van de scheidingsmuur niet meer voldoet aan de eisen die in het Besluit worden gesteld. Anders dan burgemeester en wethouders hebben geoordeeld, betekent dit dat appellant belang heeft bij het opheffen van de illegale situatie.

In dit geval is met de bouw van de appartementen begonnen voordat de bouwvergunning onherroepelijk was. Dit komt voor rekening van degene die heeft gebouwd, deze heeft immers het risico genomen dat de vergunning alsnog zou worden geweigerd, hetgeen in dit geval is gebeurd. Dit kan niet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid. Evenmin kan als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt dat de appartementen sinds acht jaar zijn bewoond.

2.2.3. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe nopen af te zien van handhavend optreden.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor deze betrekking heeft op de weigering handhavingsmaatregelen te treffen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover hierbij de weigering handhavingsmaatregelen te treffen is gehandhaafd. Burgemeester en wethouders dienen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.4. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 7 juni 2000, AWB 99/4187, voor zover hierbij het beroep tegen het besluit van 23 maart 1999, voor zover dat betrekking heeft op de weigering handhavingsmaatregelen te treffen, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de weigering handhavingsmaatregelen te treffen;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Haarlem van 23 maart 1999, CS/BO/99/337, voorzover hierbij de weigering handhavingsmaatregelen te treffen met betrekking tot de appartementen aan het […] 28-30 te B is gehandhaafd;

V. draagt burgemeester en wethouders van Haarlem op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de weigering handhavingsmaatregelen te treffen;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Haarlem in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 710,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Haarlem te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Haarlem aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (totaal ƒ 565,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2001

251.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,