Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB2278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
200002810/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beleid RDW met betrekking tot het toezicht op erkenningen bedrijfsvoorraad en (handelaars)kentekenbewijzen neergelegd in de toezichtbeleidsbrief van 15-02-1999 niet onredelijk.

Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad voor een periode van zes weken. Vaststaat dat appellante art. 9, eerste en derde lid, en art. 11.2 van de Regeling heeft overtreden. De Afdeling stelt voorop dat zij het beleid van de RDW, zoals dat is omschreven in de toezichtbeleidsbrief van 15 februari 1999, als passend binnen de aan de RDW toekomende bevoegdheid oordeelt en als zodanig niet onredelijk acht.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de thans in geding zijnde sanctie in overeenstemming is met het beleid van de RDW en deze sanctie niet onevenredig zwaar is te achten. In de situatie dat van een erkend bedrijf de erkenning tijdelijk is ingetrokken, wordt, volgens dit beleid, na het verstrijken van de intrekkingsperiode de erkenning weer van kracht indien het bedrijf weer voldoet aan alle eisen. Om dit laatste te kunnen vaststellen vindt een herschouwing van het bedrijf plaats. Het bedrijf dient evenwel zelf hiertoe het initiatief te nemen om een afspraak te maken, vanaf een bepaalde datum, gelegen 10 dagen voordat de intrekkingstermijn verloopt, zoals ook in het primaire besluit van 13 april 1999 is medegedeeld. Vanwege het belang dat een bedrijf heeft bij het weer van kracht worden van de erkenning, geeft de RDW hoge prioriteit aan een dergelijke herschouwing, zodat deze doorgaans binnen drie dagen na het (telefonisch) contact plaatsvindt. In het primaire besluit is appellante met inachtneming van het voorgaande medegedeeld dat voor de herschouwing vanaf 17 mei 1999 telefonisch een afspraak kan worden gemaakt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het niet onredelijk of onjuist is dat de RDW van de erkenninghouder verlangt dat deze een dergelijke afspraak maakt om de erkenning na afloop van de sanctieperiode weer van kracht te laten worden.

De Afdeling ziet niet in, anders dan appellante, dat door deze werkwijze - daargelaten of een afspraak telefonisch dan wel op een andere manier wordt gemaakt - de rechtszekerheid van appellante in het gedrang zou kunnen komen.

De Algemeen Directeur van de RDW.

mr. J.H.B. van der Meer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200002810/1.

Datum uitspraak: 29 mei 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Autohandel A B.V., gevestigd te B,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 1 mei 2000 in het geding tussen:

appellante

en

de Algemeen Directeur van de RDW.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 1999 heeft de Algemeen Directeur van de RDW (hierna: de Directeur) de aan appellante verleende erkenning bedrijfsvoorraad ingetrokken voor een periode van 6 weken.

Bij besluit van 26 juli 1999 heeft de Directeur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 mei 2000, verzonden op 3 mei 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 juni 2000, ingekomen bij de Raad van State op 9 juni 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 augustus 2000. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 oktober 2000 heeft de Directeur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, en de Directeur, vertegenwoordigd door C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 62, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), kan de Dienst Wegverkeer (RDW) aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze is gerechtigd motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

Op grond van artikel 62, vierde lid, WVW kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld. Deze voorschriften en regels zijn vastgesteld bij de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad van 13 december 1994, Stcrt 248 (hierna: de Regeling).

De Regeling bepaalt in artikel 9, eerste lid, dat het erkende bedrijf het bij en krachtens de wet bepaalde omtrent de bedrijfsvoorraad, de erkenning alsmede de registratie, het gebruik en de beëindiging van de registratie van de tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen in acht moet nemen.

Ingevolge artikel 9, derde lid, van de Regeling is het erkende bedrijf verplicht wijzigingen in de bedrijfsactiviteit alsmede wijziging in de bedrijfsgegevens, voor zover deze van belang kunnen zijn voor de erkenning, onverwijld schriftelijk mede te delen aan de RDW.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Regeling moet het erkende bedrijf controle en inzage mogelijk maken en dient aan de controleur op diens verzoek de aanwezige kentekenbewijzen en voertuigen te worden getoond.

Artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, van de WVW bepaalt dat de Dienst Wegverkeer een erkenning kan intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

2.1.1. Met betrekking tot het toezicht op erkenningen bedrijfsvoorraad en handelaarskentekenbewijzen voert de RDW een beleid dat is neergelegd in zogeheten toezichtbeleidsbrieven. De in de voorliggende zaak van toepassing zijnde brief dateert van 15 februari 1999.

2.2. De op 16 maart 1999 door de bedrijvencontroleur geconstateerde feiten, zoals deze door de rechtbank in haar uitspraak zijn weergegeven, zijn door appellante erkend. Hiermede staat vast dat appellante artikel 9, eerste en derde lid, en artikel 11, tweede lid, van de Regeling heeft overtreden. De RDW was derhalve bevoegd tot intrekking van de aan appellant verleende erkenning over te gaan.

2.3. Appellante keert zich in hoger beroep tegen de intrekking gedurende 6 weken vanwege de onevenredigheid ervan. Voorts heeft zij er bezwaren tegen dat deze sanctie feitelijk langer dan 6 weken heeft geduurd. Appellante heeft er tot slot bezwaren tegen dat van haar wordt verlangd dat zij actie onderneemt om een afspraak te maken voor een herschouwing die tot herstel van de erkenning kan leiden. Een dergelijke afspraak is naar haar mening te zeer afhankelijk gemaakt van de telefonische bereikbaarheid van de RDW.

2.4. De Afdeling stelt voorop dat zij het beleid van de RDW, zoals dat is omschreven in de toezichtbeleidsbrief van 15 februari 1999, als passend binnen de aan de RDW toekomende bevoegdheid oordeelt en als zodanig niet onredelijk acht.

2.4.1. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de thans in geding zijnde sanctie in overeenstemming is met het beleid van de RDW en deze sanctie, mede in aanmerking genomen de op 18 juni 1998 aan appellante gegeven waarschuwing ter zake van een eerder op grond van de toezichtbeleidsbrief als zwaar aan te merken overtreding, en gelet op de daarna geconstateerde - overwegend zware - overtredingen, de mate van verwijtbaarheid en het belang dat is gemoeid met een correcte naleving van de WVW en de Regeling, niet onevenredig zwaar is te achten.

2.4.2. In de situatie dat van een erkend bedrijf de erkenning tijdelijk is ingetrokken, wordt, volgens dit beleid, na het verstrijken van de intrekkingsperiode de erkenning weer van kracht indien het bedrijf weer voldoet aan alle eisen. Om dit laatste te kunnen vaststellen vindt een herschouwing van het bedrijf plaats. Het bedrijf dient evenwel zelf hiertoe het initiatief nemen om een afspraak te maken, vanaf een bepaalde datum, gelegen 10 dagen voordat de intrekkingstermijn verloopt, zoals ook in het besluit van 13 april 1999 is medegedeeld. Vanwege het belang dat een bedrijf heeft bij het weer van kracht worden van de erkenning, geeft de RDW hoge prioriteit aan een dergelijke herschouwing, zodat deze doorgaans binnen drie dagen na het (telefonisch) contact plaatsvindt.

2.4.3. In het besluit van 13 april 1999 is appellante met inachtneming van het voorgaande medegedeeld dat voor de herschouwing vanaf 17 mei 1999 telefonisch een afspraak kan worden gemaakt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het niet onredelijk of onjuist is dat de RDW van de erkenninghouder verlangt dat deze een dergelijke afspraak maakt om de erkenning na afloop van de sanctieperiode weer van kracht te laten worden.

De Afdeling ziet niet in, anders dan appellante, dat door deze werkwijze - daargelaten of een afspraak telefonisch dan wel op een andere manier wordt gemaakt - de rechtszekerheid van appellante in het gedrang zou kunnen komen.

Dat het in dit geval terstond na het verstrijken van de 6 weken niet is gekomen tot het weer van kracht worden van de erkenning, levert geen grond op voor het oordeel dat de rechtbank hierin ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het besluit van de RDW onrechtmatig te achten. Dit betreft immers niet het besluit tot intrekking als zodanig, maar de feitelijke tenuitvoerlegging daarvan, die deels na het nemen van de beslissing op bezwaar heeft plaatsgevonden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2001

97-221.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,