Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2001:AB2119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
200001629/1.
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2001/214
Module Ruimtelijke ordening 2001/393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200001629/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2001

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Samenwerkende Groeperingen Leefbaar Amersfoort", gevestigd te Amersfoort,

appellante,

en

provinciale staten van Utrecht,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 14 september 1999, nummer E01.94.0517, heeft de Afdeling onder meer het besluit van verweerders van 23 november 1994, waarbij is beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 1 juli 1994 tot vaststelling van het streekplan voor de provincie Utrecht, vernietigd.

Bij besluit van 14 februari 2000, kenmerk 2000REG000089i, hebben verweerders opnieuw in de zaak voorzien en de bezwaren van appellante ongegrond verklaard voor zover deze betrekking hebben op het als besluit aan te merken streekplanonderdeel om nabij Hooglanderveen een nieuwe woningbouwlocatie tot stand te brengen voor - vooralsnog - 6700 woningen (Vathorst). Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2000, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 juli 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mw. R. Norp, en verweerders, vertegenwoordigd door mr.J.H.W. Koster, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, derde lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het besluit tot vaststelling van het plan is bekend gemaakt vóór 3 april 2000, wat betreft de mogelijkheid van het maken van bezwaar en het instellen van beroep moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Appellante heeft betoogd dat zij ten onrechte niet is gehoord voor de vaststelling van het nieuwe besluit van verweerders. Bovendien zou dit besluit ten onrechte niet zijn gepubliceerd, waardoor alleen zij de mogelijkheid heeft gehad om daartegen in beroep te komen.

2.2.1. Uit de stukken blijkt dat de hernieuwde beslissing op het bezwaarschrift van appellante vanaf 6 maart 2000 ter inzage heeft gelegen in het provinciehuis van Utrecht en in het gemeentehuis van Amersfoort en dat van deze terinzagelegging op 1 maart 2000 openbare kennisgeving is gedaan in de Staatscourant, het Utrechts Nieuwsblad en De Stad Amersfoort. Gelet op het bepaalde in artikel 7:12, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 4a, vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, is het daarmee op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit bezwaar van appellante mist derhalve feitelijke grondslag.

2.2.2. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat verweerders geen nieuwe hoorzitting hebben gehouden, overweegt de Afdeling het volgende.

In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet een algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van de Afdeling. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn belanghebbenden bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te horen.

Verweerders hebben, ondanks het aanmerkelijke tijdsverloop tussen hun vernietigde besluit van 23 november 1994 en de datum waarop zij in de zaak hebben voorzien naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 14 september 1999, afgezien van een nieuwe hoorzitting, omdat naar hun mening op provinciaal niveau voldoende kennis was vergaard over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Verweerders wijzen er in dit verband op dat gedeputeerde staten bij besluit van 31 augustus 1999 hebben beslist omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan Vathorst. Bij dat besluit is tevens beslist omtrent de bedenkingen van appellante tegen dit plan, nadat de provinciale planologische commissie bij brief van 3 juni 1999 advies aan gedeputeerde staten had uitgebracht over het bestemmingsplan en over de daartegen ingebrachte bedenkingen. Voorts zijn degenen die bedenkingen tegen dat plan naar voren hadden gebracht, op 15 juli 1999 in de gelegenheid gesteld deze bedenkingen mondeling toe te lichten. Appellante heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Gelet op het vorenstaande mochten verweerders er vanuit gaan dat zij met de actuele feiten en omstandigheden en de zienswijze van appellante omtrent de aan die feiten en omstandigheden toe te kennen betekenis, bekend waren. Verweerders hebben dan ook niet onzorgvuldig gehandeld door af te zien van een nieuwe hoorzitting. Het bezwaar van appellante hieromtrent treft geen doel.

2.3. Appellante heeft betoogd dat de verkeerskundige onderbouwing voor de bouwlokatie Vathorst nog steeds onvoldoende is en dat in zoverre niet is voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 14 september 1999.

2.4. Verweerders stellen zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de bouwlocatie Vathorst, in overeenstemming met de planologische kernbeslissing Vierde Nota op de ruimtelijke ordening (Extra) en de planologische kernbeslissing Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer, dermate dicht in de nabijheid van het stadsgewest Amersfoort is voorzien dat de ontsluitingsmogelijkheden vooral zijn gericht op de fiets en het openbaar vervoer. Vanwege de korte afstand tot het stadsgewest Amersfoort achten verweerders relatief weinig nieuwe auto-infrastructuur nodig. De A28 en A1 bieden - ook voor het lokale en regionale verkeer - goede mogelijkheden om het regionale en lokale wegennet niet te zwaar te belasten.

Het provinciaal verkeers- en vervoersplan 1992, nader vastgesteld in 1995, voorziet in de bouw van een station Vathorst als onderdeel van het nog te ontwikkelen Randstadspoor en in een lijn voor hoogwaardig openbaar vervoer die Vathorst via de noordelijke uitbreidingswijken van Amersfoort met het centrum van die stad zal verbinden. Ook zijn in dit vervoersplan de benodigde fietsverbindingen tussen Vathorst en de centrale stad benoemd. Wat de automobiliteit betreft voorziet het vervoersplan in een capaciteitsvergroting van de A28 en de A1 en in potentiële transferpunten aan de rand van het stadsgewest waar automobilisten kunnen overstappen op openbaar vervoer.

Gelet op het karakter van het streekplan als integraal afwegingskader ten opzichte van de sectorale (verkeers)plannen, beklemtonen verweerders dat niet alle verkeers- en vervoersaspecten voor Vathorst in het streekplan zijn uitgewerkt. Alleen de hoofdlijnen zijn aangegeven.

Voor het autoverkeer gaat het streekplan er, aldus verweerders, vanuit dat voldoende capaciteit op de A1 en de A28 kan worden gemaakt evenals een goede aansluiting op de A1. De aansluiting op de A28 hebben verweerders niet op de streekplankaart vermeld, omdat deze op het grondgebied van de provincie Gelderland ligt. Deze ontsluiting die op het grondgebied van de gemeente Nijkerk is voorzien, is reeds opgenomen in het structuurplan van die gemeente. Ook voorziet het streekplan in een verdubbeling van de provinciale weg N199 tussen Amersfoort en de A1.

Wat betreft de afwikkeling van het autoverkeer tussen Vathorst en de bestaande stad stellen verweerders zich, onder verwijzing naar het op 15 april 1999 door het bureau Goudappel Coffeng uitgebrachte rapport "Vathorst en de consequenties in de bestaande stad", in het bestreden besluit op het standpunt dat met relatief bescheiden aanpassingen in de bestaande stad het autoverkeer van Vathorst naar deze stad over voldoende insteekpunten is verdeeld om de bestaande stad Amersfoort in het algemeen en de oude binnenstad in het bijzonder te kunnen bereiken. Wel beklemtonen verweerders het hiervoor aangeduide beleidsuitgangspunt dat de autoverbinding met de bestaande stad niet te aantrekkelijk mag worden gemaakt, omdat anders de bestaande stad zou worden overbelast met autoverkeer uit Vathorst danwel de te ontwikkelen voorzieningen voor een goed openbaar vervoer- en fietsnet zouden worden aangetast. Verweerders zien dan ook geen aanleiding tot wijziging van het bestreden streekplandeel over te gaan.

2.4.1. Ter zitting hebben verweerders hun stelling dat het streekplan voorziet in een goede aansluiting van Vathorst op de A1 aangevuld in die zin dat Vathorst niet alleen ter hoogte van de afslag Amersfoort-Noord zal worden aangesloten op de A1, maar ook via een nieuwe tunnel onder de A28 en via Hoevelaken. Voorts hebben verweerders gemeld dat een overeenkomst tot stand is gekomen tussen de Minister van Verkeer en Waterstaat, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de provincies Utrecht en Gelderland en de gemeenten Amersfoort en Nijkerk omtrent het aanpassen van het rijkswegennet rond Vathorst waardoor een gespreide ontsluitingsstructuur voor Vathorst voor het autoverkeer kan worden uitgevoerd.

2.5. De Afdeling leidt uit het vorenstaande af dat de bouwlocatie Vathorst niet op één, maar op drie plaatsen zal worden aangesloten op het autosnelwegennet. Het standpunt van verweerders dat daardoor de verkeersrelaties tussen Vathorst en de bestaande stad Amersfoort en tussen Vathorst en andere gebieden worden gespreid en overbelasting van de snelwegen en van de noordelijke rondweg van Amersfoort wordt voorkomen, komt de Afdeling niet onjuist voor.

Dit standpunt wordt ondersteund door het verkeerskundig onderzoek dat het bureau Goudappel Coffeng heeft ingesteld naar de gevolgen van de afwikkeling van het autoverkeer tussen Vathorst en de bestaande stad (rapport van 15 april 1999). Daarin wordt uitgegaan van drie aansluitingen op het autosnelwegennet en geconcludeerd dat met relatief bescheiden aanpassingen in de bestaande stad het autoverkeer van Vathorst naar deze stad over voldoende insteekpunten is verdeeld om de bestaande stad Amersfoort in het algemeen en de oude binnenstad in het bijzonder te kunnen bereiken. De Afdeling is niet gebleken dat verweerders de resultaten van dit onderzoeksrapport niet aan hun standpunt ten grondslag mochten leggen. Bovendien bevestigen nadere verkeersonderzoeken, waarvan de resultaten de Afdeling zijn overgelegd en die een uitwerking aanbevelen tot het treffen van een veertiental verkeersinfrastructurele maatregelen nabij Vathorst, dit standpunt.

Met de drie hoofdontsluitingen op het autosnelwegennet is de aanvankelijk uit verkeersonderzoek gebleken - in de uitspraak van de Afdeling van 14 september 1999 gememoreerde - gevolgtrekking dat door het creëren van een enkele aansluiting van de wijk Vathorst op de Amersfoortse verkeersinfrastructuur en de A1 bij de afslag Amersfoort-Noord tot grote problemen bij deze afslag zal leiden en bovendien tot doorstromingsproblemen op de Rondweg-Noord, achterhaald.

2.5.1. Voorts is de Afdeling uit de stukken, waaronder het verslag dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak desgevraagd heeft uitgebracht naar aanleiding van het beroep van onder meer appellante tegen het besluit omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan Vathorst, en het verhandelde ter zitting gebleken, dat tot 2006 - waarin in Vathorst ongeveer 6700 woningen zijn voorzien - de aansluiting bij Amersfoort-Noord op de A1 volstaat als hoofdontsluiting en dat er ook voldoende bestaande wegen zijn die tijdelijk aanvullend - totdat ook de twee andere hoofdontsluitingen rond 2006 tot stand zijn gebracht - kunnen worden benut voor de ontsluiting van Vathorst.

2.6. De Afdeling is gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen dat het in dit geding ter toetsing staande besluit slechts ziet op het tot stand brengen van een nieuwe woningbouwlocatie voor - vooralsnog - 6700 woningen, van oordeel dat verweerders de uitspraak van de Afdeling van 14 september 1999 in acht hebben genomen en thans voldoende aandacht hebben besteed aan de ontsluiting van Vathorst voor het autoverkeer.

Evenmin ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het beroep van appellante is mitsdien ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.J.M. Kreuwel, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Kreuwel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2001

291-333.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,